De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.2.3.3:V.21.2.3.3 Termijn voor intrekking
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/V.21.2.3.3
V.21.2.3.3 Termijn voor intrekking
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375304:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de Duitse regeling met betrekking tot intrekking geldt, wanneer het een begunstigende beschikking betreft, een termijn binnen welke het bestuursorgaan een daadwerkelijke intrekkingsbeslissing moet nemen. Het betreft een termijn van een jaar, welke aanvangt op het moment dat bij het bestuursorgaan alle voor intrekking relevante informatie bekend is en ook duidelijk is dat deze informatie kan leiden tot intrekking. Verstrijkt deze termijn ongebruikt, dan vervalt de bevoegdheid tot intrekking. In de Duitse literatuur is kritiek geuit op deze regeling, nu de termijn in feite niet meer is dan een beslistermijn. Veel bescherming biedt deze bepaling de burger dan ook niet. Daarnaast bestaat het leerstuk van de Verwirkung, op grond waarvan het feit dat het bestuursorgaan op enige wijze de indruk wekt dat niet tot intrekking wordt overgegaan, kan leiden tot het gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde dat de beschikking niet meer zal worden ingetrokken. In het Nederlandse recht zijn wettelijke bepalingen inzake de termijn binnen welke het bestuursorgaan tot intrekking dient over te gaan schaars. Gewezen kan worden op art. 4:49 lid 3 Awb in het kader van de intrekking van de subsidievaststellingsbeschikking en art. 3.97 Vb 2000 in het kader van de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanwege het feit dat de geadresseerde onjuiste of onvolledig gegevens heeft verstrekt. Voorts valt te wijzen op de jurisprudentie van de CRvB op grond waarvan in het bijzonder de bevoegdheid tot terugvordering (nadat een uitkering is ingetrokken) beperkt is. Tot slot wordt onder omstandigheden in de jurisprudentie aangenomen dat langdurig tijdsverloop ertoe kan leiden dat niet meer tot intrekking mag worden overgegaan. Hoewel het wellicht lastig is in algemene zin te bepalen dat een bestuursorgaan, op straffe van het verval van de intrekkingsbevoegdheid, binnen een bepaalde termijn tot intrekking moet overgaan, zou aansluiting kunnen worden gezocht bij de termijn uit de Duitse intrekkingsregeling in die zin dat wanneer voor het bestuursorgaan duidelijk is dat een aanleiding bestaat om een bepaalde beschikking in te trekken, het bestuursorgaan gehouden is om voortvarend te handelen. Dat zou kunnen betekenen dat binnen een bepaalde termijn moet worden besloten of al dan niet daadwerkelijk tot intrekking wordt overgegaan.