Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.3.2.3
4.3.2.3 De rol van contractuele regelingen
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452048:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit speelt vooral bij roerende zaken, omdat de pandgever bij stille verpanding van vorderingen bevoegd blijft deze te innen, waardoor het pandrecht teniet gaat, zie art. 3:246 lid 1 BW; Steneker 2012, nr. 47, 54. Vgl. voor het Duitse recht MünchKommBGB/Roth 2012 §398 nr. 53, 107; Staudinger/Busche 2012 Einl. §§398 ff nr. 92.
Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010 nr. 126; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 779; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 536; HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012/88, JOR 2012/34, met noot Schuijling (Mesdag II). Het Duitse recht kent een wettelijke bepaling die in de mogelijkheid voorziet dat beschikking door een beschikkingsonbevoegde geldig is indien de beschikking geschiedt met toestemming van de rechthebbende: §185 Abs. 1 BGB. Op die voet wordt (stilzwijgend) met goederenrechtelijke werking overeengekomen dat de zekerheidsgever bevoegd is de goederen te vervreemden in de normale uitoefening van het bedrijf (ordnungsgemäßen Geschäftsbetrieb), zie Bülow 2012, nr. 1291; Grädler 2012, p. 119; MünchKommBGB/Bayreuther 2012 §185 nr. 26-28; Staudinger/Gursky 2014 §185 nr. 33, 41.
Bij huur van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW bestaat nog de bijzondere bepaling van art. 7:307 BW die er onder omstandigheden toe kan leiden dat geen medewerking van de verhuurder nodig is, zie Bonder 2014.
Reehuis 2010, nr. 9; Van der Steur 2003, p. 196; Suijling 1896, p. 370; Wessels 2010, nr. 66; Wille & Roerdink 2007, p. 51.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 405; Asser/Hijma 7-I* 2013, nr. 199; Cohen Jehoram 1963, p. 139, 150, 190-191; Janssen & Eeken 1999; Reitsma 2005; Schuurs 2003; Sperling & De Lange 1998; Suijling 1896, p. 370; Vermeulen 1999, par. 4.3; Verstijlen 2001, p. 252-253; Wessels 2010, nr. 66; HR 1 juli 1997, NJ 1997/685 (Kolkman/Cornelisse); HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068, NJ 2013/256, AA 2012, p. 118-122, met noot Raaijmakers & Bouichi (IJsseloevers Notarissen). Zie voor het Duitse recht Isay 1910, p. 149 e.v.; Schmidt 2014, p. 168, 177-178.
89. De verpanding (of in het Duits recht: de zekerheidsoverdracht) van goederen van een onderneming kan gecombineerd worden met een ‘vervreemdingsbevoegdheidsclausule’ die de pandgever bevoegd maakt om vrij van pandrecht over de verpande goederen te beschikken in de normale uitoefening van zijn bedrijf.1 Het uitgangspunt is dat, aangezien het pandrecht zaaksgevolg heeft, de pandgever over de verpande goederen slechts kan beschikken bezwaard met pandrecht. Door middel van een dergelijke contractuele regeling tussen pandgever en pandhouder wordt de pandgever echter beschikkingsbevoegd over de onbezwaarde eigendom.2 Gecombineerd met de verpanding bij voorbaat van toekomstige goederen, kan hiermee het effect gecreëerd worden alsof een algemeenheid van goederen met pandrecht is bezwaard; nieuwe goederen worden aan het pandrecht onderworpen en goederen kunnen dit ‘verband’ ook weer vrij van pandrecht verlaten.
90. In het kader van de overdracht van een onderneming is nog van belang dat door middel van schuld- en contractsoverneming ook schulden en contracten kunnen worden overgenomen (art. 6:155 en 159 BW).3 Voorts kunnen in de overeenkomst waarbij de onderneming wordt verkocht regelingen worden getroffen die de koper in staat stellen de feitelijke positie van de verkoper zo veel mogelijk over te nemen, denk aan non-concurrentiebedingen, het bedingen van toegang tot de klantgegevens, bedrijfsgeheimen en andere knowhow, introductie van de koper bij afnemers en leveranciers, etc.4 Overigens kunnen vergelijkbare verbintenissen ook bestaan zonder dat dit expliciet wordt overeengekomen, op basis van uitleg of aanvulling van de overeenkomst.5