Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/313:313 De ratio van art. 3:246 lid 5 BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/313
313 De ratio van art. 3:246 lid 5 BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 16-03-2026
- Datum
16-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51549:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het voor inning door de pandhouder in art. 3:246 lid 5 BW bepaalde lijkt te zijn bedoeld dat de posities van de innende pandhouder, de pandgever en de eventuele overige tot de opbrengst gerechtigden veilig worden gesteld doordat deze als het ware worden gefixeerd. Aan deze regeling lijken de navolgende overwegingen (1 tot en met 6) ten grondslag te liggen. Welbewust worden hier bewoordingen als ‘lijkt bedoeld’ en ‘lijken de volgende overwegingen ten grondslag te liggen’ gehanteerd, omdat de regeling en de door de wetgever gegeven toelichting erop uiterst summier zijn.
Na mededeling van zijn pandrecht aan de debiteur van een verpande vordering, is de hoogst gerangschikte openbaar pandhouder bevoegd deze te innen.1 Daardoor kan de inningsbevoegdheid van de pandhouder (anders dan zijn bevoegdheid tot executie) ontstaan vóórdat hij bevoegd is om zijn vordering op de pandgever op de opbrengst van de verpande vordering te verhalen.2
In die situatie dienen de posities van de verschillende belanghebbenden (de pandgever, de innende pandhouder en de eventuele overige tot de opbrengst gerechtigden) ten opzichte van het geïnde zoveel mogelijk gelijk te zijn aan de posities die zij hadden ten opzichte van de door de inning tenietgegane vordering. Rechthebbende van de verpande vordering was de pandgever, hij dient ook rechthebbende van het geïnde te zijn en hij dient dat te blijven zolang daarop nog geen verhaal mag worden genomen.3 Daarnaast moet echter worden voorkomen dat de eventuele overige pandhouders hun positie zien verslechteren doordat hun pandrechten tenietgaan door het tenietgaan van de verpande vordering, zonder dat zij daar vergelijkbare rechten voor in de plaats krijgen. Bovendien moet, ter bescherming van zowel de pandgever als de overige tot de opbrengst gerechtigden, worden voorkomen dat de crediteuren van de innende pandhouder op het geïnde verhaal kunnen nemen.
De pandgever komt in de gewenste positie doordat in geval van inning van de vordering door de pandhouder weliswaar betaald wordt aan de pandhouder, maar de pandgever rechthebbende van het geïnde wordt.4 In geval van betaling in chartaal geld houdt de pandhouder dit voor de pandgever. Wordt de verpande vordering giraal betaald dan is de vordering van de pandgever die als gevolg van die girale betaling op een bank- of giro-instelling ontstaat afgescheiden van het vermogen van de pandhouder, doordat de pandhouder de vordering laat betalen op of het geïnde overbrengt naar een door hem aangehouden kwaliteitsrekening en de pandgever rechthebbende is van de vordering op de bank terzake van deze kwaliteitsrekening.
Bestaat het geïnde uit chartaal geld dan krijgen zowel de innende pandhouder als de eventuele overige pandhouders door substitutie een pandrecht op dit chartale geld dat de innende pandhouder houdt voor de pandgever.
Bestaat het geïnde uit een vordering van de pandgever op een bank- of giro-instelling dan krijgen zowel de innende pandhouder als de eventuele overige pandhouders door substitutie een pandrecht op die vordering.
Tegen het risico dat de crediteuren van de pandhouder op het geïnde verhaal nemen, worden de pandgever en de eventuele overige tot de opbrengst gerechtigden beschermd doordat het geïnde niet tot het vermogen van de pandhouder behoort.
Met de regeling van art. 3:246 lid 5 BW lijkt derhalve beoogd te zijn dat door de enkele inning van de verpande vordering door de pandhouder (de inning door de pandgever met toestemming van de kantonrechter blijft nog even buiten beschouwing), terwijl hij (nog) niet bevoegd is zich uit het geïnde te voldoen, de posities van de betrokkenen (de eventuele overige tot de opbrengst gerechtigden en de pandgever) geen wijziging ondergaan. Dit doel van de regeling heeft mijn instemming.