Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.3.3:III.6.3.3 De onaantastbaarheid van het lichaam
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.3.3
III.6.3.3 De onaantastbaarheid van het lichaam
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450815:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
D.E. Bunschoten, ‘Onaantastbaarheid van het lichaam’, in: P.P.T. Bovend’Eert (red.), Tekst & Commentaar Grondwet, Deventer: Kluwer, elektronische versie, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2015. Zie ook Kamerstukken II 1978/79, 15 463, nr. 2, p. 6-7.
HR 29 mei 2007, NJ 2008, 14, r.o. 3.4.1 en HR 21 december 2010, NJ 2011, 23, r.o. 2.5.
HR 12 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3804.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 11 Gw, dat het lichaam beschermt, lijkt een overbodige bepaling.1 De persoonlijke levenssfeer beschermt ook het lichaam want zonder bescherming van het lichaam is een persoonlijk leven moeilijk voor te stellen. Daarnaast heeft artikel 11 Gw dezelfde beperkingsclausule als artikel 10 Gw. Ook op dat punt lijkt artikel 11 Gw overbodig.
In de Kamerstukken wordt slechts één reden gegeven waarom de onaantastbaarheid van het lichaam een afzonderlijke grondwettelijke grondslag behoeft. De Hoge Raad heeft in verschillende arresten geoordeeld – voornamelijk waarin werd geoordeeld over medisch ingrijpen zonder toestemming – dat de burger moet worden beschermd tegen ongeoorloofde inbreuken op de lichamelijke integriteit. De wetgever wil deze jurisprudentiële regel van een geschreven basis voorzien.2
Door de overlap van artikelen 10 en 11 Gw, speelt het laatste artikel in de strafvorderlijke rechtspraak een zeer geringe rol van betekenis. Slechts enkele methoden worden expliciet in het licht van de onaantastbaarheid van het lichaam beoordeeld, te weten onder andere de fouillering aan en in het lichaam3 en DNA-onderzoek,4 die overigens ook in het licht van artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM worden beoordeeld. In de rechtspraak van de Hoge Raad speelt artikel 11 Gw als zelfstandig grondrecht geen rol van betekenis voor de normering van strafvorderlijke bevoegdheden en biedt derhalve geen nieuwe of andere aanknopingspunten voor de beoordeling van de (rechtmatige) inzet van opsporingsmethoden.