Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.2.7.3:8.2.7.3 Opschorting wegens verzuim in eerdere verplichtingen
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.2.7.3
8.2.7.3 Opschorting wegens verzuim in eerdere verplichtingen
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie recommendation 79: “The insolvency law should specify that where the debtor is in breach of a contract the insolvency representative can continue the performance of that contract, provided the breach is cured, the non-breaching counterparty is substantially returned to the economic position is was in before the breach and the estate is able to perform under the continued contract.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige subparagraaf ging het om de vraag naar de bevoegdheid van een contractspartij om haar prestaties op te schorten op de enkele grond dat de schuldenaar in de financiële staat van insolventie verkeert en het gepercipieerde risico dat de schuldenaar hierdoor zijn toekomstige verplichtingen niet zal kunnen nakomen, zonder dat een daadwerkelijk verzuim zich heeft voorgedaan.
Wat nu indien de schuldenaar wel reeds in verzuim verkeert en tekort is geschoten in de nakoming van verplichtingen die vóór het inleiden van het akkoordtraject zijn ontstaan? Mag de wederpartij zich in die situatie wel onverkort op haar wettelijk opschortings- en/of ontbindingsrecht beroepen?
Verdedigbaar is de invoering van een regel inhoudende dat contractspartijen voor toekomstige prestaties geen opschortings- of ontbindingsrecht mogen inroepen op de grond dat oude vorderingen onvoldaan zijn gebleven, mits de schuldenaar voor de betaling van nieuwe prestaties voldoende zekerheid stelt of voldoende aannemelijk maakt (zonodig met “bevriezing” van oude schulden) in staat te zijn om zijn toekomstige verplichtingen te voldoen. De schuldenaar zou hiermee dwangposities kunnen doorbreken en kunnen verhinderen dat wederpartijen opschortingsrechten inroepen om voldoening van oude vorderingen af te dwingen.
Een dergelijke voorziening zou echter niet noodzakelijkerwijs het resultaat voor de crediteuren als groep bevorderen. Deze zou vooral een afzwakking van de relatieve positie van de dwangcrediteur tot gevolg kunnen hebben. Dwangposities leiden veelal niet zozeer tot het staken van essentiële leveranties, maar vooral tot betaling van een verhoudingsgewijs groter deel van de vorderingen van de betrokken dwangcrediteuren. Anders gezegd: het doorbreken van opschortingsrechten zou niet zozeer de totale realisatie voor de crediteuren als groep vergroten, als wel wijziging brengen in de verdeling. Ik aarzel of dit wenselijk is. Opschortingsrechten zijn voor leveranciers een belangrijk middel om terugbetaling te bewerkstelligen. Zij bieden een feitelijke vorm van voorrang en zekerheid. Zwakt men deze opschortingsrechten te zeer af, dan zou dat de bereidheid van leveranciers om krediet te verstrekken en daarmee de financierbaarheid van ondernemingen te zeer kunnen aantasten. De UNCITRAL Legislative Guide hanteert mijns inziens dan ook terecht als uitgangspunt dat voortzetting van een lopende overeenkomst alleen van een contractspartij kan worden verlangd indien een eerder verzuim eerst wordt geheeld.1