Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.2.1
1.2.1 Het Portacabinarrest
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490418:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Dat de Hoge Raad rechtsvorming als haar taak ziet, blijkt onder meer uit Hoge Raad der Nederlanden, Verslag 2012, p. 47 waar staat: “De taak van de Hoge Raad is om binnen dit kader individuele zaken te beslissen, en wel zodanig dat in die zaken recht wordt gedaan en tevens de rechtseenheid in Nederland en de rechtsontwikkeling worden bevorderd.”
Zie over staatsrechtelijke kritiek op de rechtsvormende taak van de Hoge Raad: C.A.J.M. Kortmann, ’De rechtsvormende taak van de Hoge Raad’, Trema 2005, afl. 6, p. 250 e.v. en in: W.M.T. Keukens & M.C.A. van den Nieuwenhuijzen (red.), Raad & Daad. Over de rechtsvormende taak van de Hoge Raad, Nijmegen: Ars Aequi 2008, p. 31 e.v. en P.P.T. Bovend’Eert, ‘Wetgever, rechter en rechtsvorming – “Partners in the business of law?”, RM Themis 2009, afl. 4, p. 145 e.v.
Of zoals in de hypotheekakte stond: “op de bedrijfsgebouwen met ondergrond staande en gelegen aan de Lange Reksestraat 20 ter Terneuzen.” Strikt genomen klopt dit niet nu het hypotheekrecht gevestigd werd op de grond en zich op grond van art. 3:227 lid 2 BW uitrekte over al hetgeen de eigendom van de grond omvat.
Saillant detail is dat de Rabobank als hypotheekhouder bij de openbare verkoop zelf de grond en de daarop staande gebouwen kocht. Zie over de toelaatbaarheid van de mogelijkheid van de hypotheekhouder bij executoriale verkoop te kopen, I. Visser, De executoriale verkoop van onroerende zaken door de hypotheekhouder, (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 300, waarin zij stelt dat in de Parlementaire Geschiedenis bij art. 3:268 BW bepaald is dat dit niet in strijd is met het verbod van toe-eigening, omdat het executierecht als uitgangspunt heeft dat iedereen, dus ook de hypotheekhouder zelf, een bod mag doen (zie MO, PG Boek 3, p. 825-826).
Strikt genomen was deze rechtsvraag onzuiver, nu niet het onroerende karakter met zich brengt dat de portacabin onder het hypotheekrecht van de Rabobank viel, maar deze kwalificatie (in beginsel) met zich brengt dat natrekking door de eigendom van de grond plaatsvindt op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW, waardoor op grond van art. 3:227 lid 2 BW het hypotheekrecht zich mede uitstrekt over de portacabin.
HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080.
Bij het ontleden van het eerste lid van art. 3:3 lid 1 BW zijn er echter meer vragen die rijzen. Gebouwen en werken dienen ‘duurzaam verenigd te zijn met de grond’ om als onroerende zaken gekwalificeerd te worden. Uit lid 1 van art. 3:3 BW blijkt dat gebouwen en werken op twee manieren duurzaam verenigd kunnen zijn met de grond:
Direct: art. 3:3 BW spreekt over: ‘rechtstreeks’;
Indirect: ‘hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken’.
Een gebouw of werk is blijkens art. 3:3 lid 1 BW onroerend, indien deze vereniging met de grond duurzaam is. Maar wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam verenigd met de grond’? Met de introductie van deze vage norm in het Burgerlijk Wetboek in 1992 was het wachten op rechtsvorming van de Hoge Raad ter invulling van deze norm.1, 2 In 1997 werd het criterium van de directe duurzame vereniging met de grond in het Portacabinarrest nader uitgewerkt.
Dit, inmiddels zeer bekende, arrest draaide om de vraag wie zich kon verhalen op de portacabin die op het terrein van Buys was geplaatst. Het antwoord op deze vraag was gelegen in de vraag of de litigieuze portacabin een roerende of een onroerende zaak was. Buys had de portacabin in 1990 op zijn terrein geplaatst en had deze, naast de reeds bestaande bedrijfsgebouwen, in gebruik genomen als kantoorruimte. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op riolering en op het gas-, water- en elektriciteitsnet. Eind 1990 vestigde Buys ten behoeve van de Rabobank een recht van hypotheek op het bedrijfsterrein3 tot zekerheid van terugbetaling van een krediet groot f. 150.000,-. Op een zeker moment kwam Buys zijn verplichtingen niet meer na ten opzichte van de Rabobank en maakte de bank gebruik van de haar bij art. 3:268 BW verleende bevoegdheid het terrein van Buys openbaar te verkopen. Op 7 juli 1992 vond de openbare verkoop plaats.
Op 1 april had de Ontvanger echter beslag doen leggen op alle roerende zaken die zich op het terrein van Buys bevonden. Het beslag omvatte tevens de portacabin, als ware het een roerende zaak. Met toestemming van de Ontvanger verkocht Buys voor de openbare verkoop door de Rabobank de portacabin aan een derde. Ten tijde van de openbare verkoop bevond de portacabin zich nog op het terrein van Buys, doch tien dagen later constateerde de Rabobank dat de portacabin reeds afgegeven was aan bovengenoemde derde.4
Zo ontstond de vraag of de portacabin een onroerende zaak was en derhalve op grond van art. 3:227 lid 2 BW onder het hypotheekrecht van de Rabobank viel,5 of dat de portacabin een roerende zaak was, zodat het beslag van de Ontvanger zich hierover uitstrekte.
De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW, doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. (...) Niet van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen.
Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven moet (...) worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.
(…) dient de bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven naar buiten kenbaar te zijn. Dit vereiste vloeit voort uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.
De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, en voor de toepassing van die maatstaf nader moet worden bepaald wat in een gegeven geval als ‘duurzaam’, onderscheidenlijk ‘verenigd’ en in verband daarmee als ‘bestemming’ en als ‘naar buiten kenbaar’ heeft te gelden.”
Op grond van het bovenstaande werd de portacabin op het terrein van Buys als onroerende zaak gekwalificeerd.
Hoewel een letterlijke uitleg van het begrip onroerend anders doet vermoeden (‘onroerend’ impliceert immers onverplaatsbaar), heeft de Hoge Raad in het Portacabinarrest expliciet beslist dat voor de vraag of een bouwsel duurzaam met de grond is verenigd de technische mogelijkheid om een bouwsel te verplaatsen geen rol speelt. De Hoge Raad baseerde deze invulling van het vereiste van een ‘duurzame vereniging met de grond’ (in de zin van art. 3:3 lid 1 BW) met name op een in 1975 gewezen arrest: het Amercentrale-arrest.6