Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.3.1.1:IV.8.3.1.1 Effectiviteit: het bereiken van het doel door een valide en betrouwbare methode op deskundige wijze in te zetten
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.3.1.1
IV.8.3.1.1 Effectiviteit: het bereiken van het doel door een valide en betrouwbare methode op deskundige wijze in te zetten
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450822:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De inzet van opsporingsmethoden dienen normaliter de waarheidsvinding als doel. Daarvoor moet echter wel worden vastgesteld dat de uitvoerende persoon, de methode en de meting deskundig, valide en betrouwbaar zijn. Als aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, dan wordt het resultaat van de methode ‘vervuild’. Zeker bij wetenschappelijke methoden, zoals het DNA-onderzoek en neurogeheugendetectie, is aan de hand van de literatuur uitstekend te analyseren of en in welke mate de methode valide is en betrouwbare resultaten oplevert (bij de uitvoering door een deskundig persoon). Neurogeheugendetectie heeft als doel het vaststellen of een persoon daderkennis heeft door zijn hersenactiviteit bij verschillende taken te vergelijken. Of en in welke mate dit doel wordt bereikt, hangt af van (1) de validiteit van de methode en; (2) voorwaarde voor een betrouwbare afname. Deze twee aspecten worden hieronder uitgewerkt.
Bij de validiteit gaat het om de kwestie of de methode meet wat hij behoort te meten, in dit geval dus of neurogeheugendetectie daadwerkelijk laat zien dat een persoon daderkennis heeft. Twee belangrijke begrippen daarbij zijn sensitiviteit en specificiteit, die respectievelijk de verhouding tussen correct en vals geïdentificeerde daders en correct en vals geïdentificeerde onschuldigen weergeven. Een concrete neurogeheugendetectietest kan vier uitkomsten hebben: (1) vaststelling van daderkennis bij een dader (correctpositief); (2) vaststelling van daderkennis bij een onschuldige (vals-positief); (3) vaststelling van ontbreken van daderkennis bij een onschuldige (correctnegatief) en; (4) vaststelling van ontbreken van daderkennis bij een dader (vals-negatief). De sensitiviteit van neurogeheugendetectie, zoals die blijkt uit de wetenschappelijke literatuur, is 0,8. Dit betekent dat bij tachtig procent van de daders correct wordt vastgesteld dat zij daderkennis bezitten. Bij twintig procent van de daders luidt de conclusie dat daderkennis ontbreekt of dat er geen duidelijke conclusies zijn te trekken en zij worden derhalve ten onrechte niet als daders herkend. De specificiteit van neurogeheugendetectie is 0,94. Dit betekent dat bij 94 procent van de onschuldigen correct wordt vastgesteld dat zij geen daderkennis bezitten, terwijl bij zes procent van de onschuldigen onjuist wordt geconcludeerd dat zij wel daderkennis bezitten of dat op basis van de resultaten geen conclusie mogelijk is.
In algemene zin is neurogeheugendetectie beter in het identificeren van onschuldigen, maar zowel bij daders als onschuldigen niet foutloos. Het is echter beter een dader niet te ontdekken, dan een onschuldige onterecht te veroordelen. Deze uitkomsten, die in het licht van de zeer jonge leeftijd van neurogeheugendetectie en de snelle ontwikkeling van het vakgebied van de neuropsychologie, zijn bemoedigend. Daarnaast zijn zij niet slechter dan andere technieken, zoals de oor-, geur- en handschriftidentificatieproef, die in het strafprocesrecht worden gebruikt. Wat deze uitkomsten wel aantonen, is dat voorzichtig met het toeschrijven van daderkennis moet worden omgegaan. Omdat die conclusie weleens onjuist is, moet neurogeheugendetectie niet als enige of doorslaggevend bewijs worden gebruikt. Het is belangrijk om onterechte veroordelingen te voorkomen door de bewezenverklaring op een tweede bewijsmateriaal te laten rusten. Daarnaast is het essentieel dat de ‘ideale’ procedure voor het opstellen en afnemen van neurogeheugendetectie wordt gevolgd om de kans op foutieve classificaties zoveel mogelijk te vermijden.
In theorie is neurogeheugendetectie dus een valide methode, hij meet in een overgrote meerderheid van de gevallen wat hij behoort te meten. Of het in een specifiek geval betrouwbare resultaten oplevert, hangt van een hoeveelheid aan voorwaarden af. De belangrijkste voorwaarde is dat voldoendeitems beschikbaar zijn waarover onschuldigen onwetend zijn (de voorwaarde van naïviteit). Hoe meer items hoe betrouwbaarder daderkennis kan worden vastgesteld. Het is namelijk voorstelbaar dat een onschuldige toevallig één item (ten onrechte) ‘herkent’, maar de kans dat dit bij meerdere items telkens opnieuw gebeurt, is veel kleiner.
Voor elk onderwerp dat in een GKT aan bod komt, moet zijn voldaan aan de voorwaarde van naïviteit. Door daderkennis te verspreiden tijdens het verhoor, door het verstrekken van het dossier of via de media, verkrijgen meerdere personen daderkennis. Omdat neurogeheugendetectie niet kan achterhalen wanneer en hoe iemand de daderkennis heeft verkregen, moet zeer terughoudend worden omgegaan met het verstrekken van informatie (en/of de GKT moet zo vroeg mogelijk in het opsporingsonderzoek worden afgenomen zodat er minder ruimte voor lekkage van informatie is). Verder, om eventuele lekkage van informatie vast te stellen, is het noodzakelijk dat verhoren worden opgenomen. Het verhoor lijkt de meest aangewezen situatie te zijn waarin informatie wordt gelekt. Als het verhoor is opgenomen, dan kan later worden gecontroleerd of de GKT aan de voorwaarde van naïviteit voldoet.
Daarnaast kunnen enkele interne controlemechanismen in de neurogeheugendetectieprocedure worden ingebouwd. Het is namelijk mogelijk om verschillende fysiologische maten simultaan te registreren bij de inzet van (neuro)geheugendetectie (en eigenlijk worden dan de fysiologische en neurologische geheugendetectie gecombineerd). Hierdoor kunnen deskundigen de vaststelling van daderkennis baseren op meerdere bronnen, bijvoorbeeld hartslag, hersenactiviteit en ademhaling. Hierdoor is een voor de geheugendetectie interne unus testis, nullus testis ingebouwd omdat de conclusie dat iemand daderkennis bezit op twee (of meerdere) van elkaar onafhankelijke maten kan worden gebaseerd (waarbij ik niet wil beweren dat hiermee dan ook direct aan de unus testis, nullus testis uit artikel 342 lid 2 Sv is voldaan). Een tweede intern controlemechanisme is dat twee deskundigen de ruwe data analyseren en daarover onafhankelijk van elkaar concluderen of de persoon daderkennis bezit. Daderkennis toeschrijven aan een persoon heeft de potentie om een zeer sterk bewijsmiddel te zijn (terwijl neurogeheugendetectie niet foutloos is toe te passen). Door naast verschillende maten te nemen, ook meerdere deskundigen de data te laten analyseren, is een tweede vergelijkingsmogelijkheid gecreëerd. De verschillende biologische maten kunnen met elkaar worden vergeleken om te beoordelen of deze elkaar steunen. Ook de conclusie van meerdere deskundigen kunnen met elkaar worden vergeleken. Dit alles maakt de kans op foutieve categorisatie kleiner. Als laatste is het natuurlijk noodzakelijk dat deskundigen worden opgeleid (en eventueel dat zij in het buitenland ervaring opdoen met de toepassing van (neuro)geheugendetectie). Idealiter kan de deskundige zowel fysiologische data als neurologische data verzamelen en interpreteren. Verder moet hij, omdat hij de items van de GKT moet opstellen, een recherchekundige achtergrond of opleiding hebben. Hij moet een plaats delict namelijk onderzoeken om geschikte en voldoende onderwerpen voor een GKT te selecteren en dit lijkt slecht mogelijk zonder kennis van recherchewerk.
Al met al is neurogeheugendetectie mijns inziens, vanuit effectiviteitsoverwegingen, een geschikte methode om toe te passen in een strafvorderlijke context (en dit wordt alleen maar sterker omdat het wetenschappelijke onderzoek naar deze methode nog in volle gang is). Het is een valide methode die in ongeveer tachtig procent van de gevallen daders correct herkent en in 94 procent van de gevallen onschuldigen correct herkent. Daarnaast zijn in de wetenschap en door de toepassing van (neuro)geheugendetectie in andere landen inzichten verkregen in do’s and don’t’s. Van (andermans) fouten en successen kunnen lessen worden getrokken waarmee de neurogeheugendetectieprocedure steeds beter wordt.