Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3.1.3
3.3.1.3 Bestanddelen en elementen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569901:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Als het ten laste gelegde feit niet is bewezen volgt vrijspraak.
Als het bewezen verklaarde feit niet onder een delictsomschrijving valt, volgt ontslag van alle rechtsvervolging.
Als de verdachte op grond van een strafuitsluitingsgrond niet strafbaar is volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 293.
Definitie uit De Hullu 2015, p. 69, enigszins door mij aangepast.
Subjectieve overmacht.
De Hullu 2015, p. 69, 292.
De Hullu 2015, p. 69-70.
De Hullu 2015, p. 69-70.
F. de Jong, ‘Facetten van schuld en gronden voor schulduitsluiting’, in: M.M. Boone e.a. (red.), Discretie in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004, p. 142: “De (leer van de, MK) totaalschuld komt neer op de opvatting, dat met de vaststelling van het delictsbestanddeel culpa eveneens de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid gegeven zijn, zodat ieder beroep op een strafuitsluitingsgrond in beginsel als vergeefs moet worden beschouwd.”; De Hullu 2015, p. 270-271.
De beoordeling van de zaak door de strafrechter vindt steeds plaats met behulp van het rechterlijk beslissingsmodel, dat bestaat uit vier formele en vier materiële vragen.1 De volgorde van deze vragen is dwingend. Voordat de rechter aan de laatste materiële vraag, de beslissing over de op te leggen straf, kan toekomen, moeten de vier formele vragen en de eerste drie materiële vragen positief zijn beantwoord. De vier formele vragen zien op de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechter en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Op deze vragen wordt verder niet ingegaan omdat zij voor dit onderzoek niet van belang zijn.
Aan de hand van de vier materiële vragen moet vervolgens worden beoordeeld (1) of het feit waarvoor de verdachte is gedagvaard, is bewezen,2 (2) of dit bewezen verklaarde feit onder een wettelijke delictsomschrijving valt,3 (3) of de verdachte strafbaar is4 en (4) welke straf moet worden opgelegd. Ook op de laatste materiële vraag wordt verder niet ingegaan.
In een delictsomschrijving wordt beschreven welk gedrag – een gedraging of het veroorzaken van een gevolg – onder welke objectieve (zoals causaliteit en wederrechtelijkheid) en subjectieve (opzet of schuld) omstandigheden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.5 Zo ziet de delictsomschrijving van art. 69 lid 2 AWR op het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, indien dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Uitsluitend als alle bestanddelen van deze delictsomschrijving zijn bewezen, kunnen de eerste en de tweede materiële vraag positief worden beantwoord.
Als een strafuitsluitingsgrond van toepassing is, blijft strafrechtelijke aansprakelijkheid ondanks de vervulling van de delictsomschrijving alsnog achterwege en kan geen straf worden opgelegd. De eerste en de tweede materiële vraag zijn in dat geval wel positief beantwoord, bewezen is bijvoorbeeld dat de verdachte belastingplichtige een uitgereikt aangiftebiljet opzettelijk onjuist heeft ingevuld met als gevolg dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven (de delictsomschrijving van art. 69 lid 2 AWR is vervuld), maar de derde materiële vraag niet, bijvoorbeeld omdat hij met een pistool op de borst is gedwongen de aangifte onjuist in te vullen.6
Bij het opstellen van het Wetboek van Strafrecht aan het eind van de negentiende eeuw had de wetgever geen standpunt over de relatie tussen de strafuitsluitingsgronden en de delictsomschrijvingen. Strafuitsluitingsgronden werden uitsluitend gezien als oorzaken van ontoerekenbaarheid. De gangbare opvatting is thans dat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet alleen de bestanddelen van de delictsomschrijving moeten zijn vervuld, maar ook de ongeschreven elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid.7 Als de delictsomschrijving is vervuld worden deze elementen verondersteld aanwezig te zijn. Zij hoeven derhalve, tenzij ze in de delictsomschrijving staan, niet door het openbaar ministerie te worden bewezen. Toepassing van een strafuitsluitingsgrond houdt vervolgens in dat ondanks de vervulling van de delictsomschrijving toch niet onrechtmatig of toch verontschuldigbaar is gehandeld, met andere woorden, dat een van de (ongeschreven) elementen alsnog ontbreekt.8 Strafuitsluitingsgronden zijn te onderscheiden in rechtvaardigingsgronden, die in beginsel verband houden met het element wederrechtelijkheid en schulduitsluitingsgronden, die in beginsel verband houden met het element verwijtbaarheid.
Het zojuist gemaakte onderscheid tussen bestanddelen en strafuitsluitingsgronden bestaat niet altijd. Als in de delictsomschrijving namelijk al in een of meer van de bestanddelen invulling aan (een deel van) de wederrechtelijkheid of verwijtbaarheid is gegeven, kan niet meer aan een met dat element verband houdende strafuitsluitingsgrond worden toegekomen. In dat geval impliceert het bewijs van het bestanddeel namelijk het niet kunnen toepassen van de strafuitsluitingsgrond en verhindert het kunnen toepassen van de strafuitsluitingsgrond het bewijs van het bestanddeel.9 Dit geldt onder meer bij delictsomschrijvingen waarbij schuld oftewel culpa een bestanddeel is, omdat de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid (en daarmee de strafuitsluitingsgronden) worden geacht in culpa besloten te liggen.10