Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2.3.a
IJkpunten 7 en 8: Zelfstandig en persoonlijk beslissen
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451987:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
I. Berlin, ‘Two Concepts of Liberty (1969)’, in: I. Berlin, Four essays on liberty, Oxford: Oxford University Press 1975, p. 122.
E.J. Bloustein, ‘Privacy is Dear at Any Price: A Response to Professor Posner’s Economic Theory’, Ga. L. Rev. 1978, 3, p. 453 en E.J. Bloustein, ‘Privacy as an Aspect of Human Dignity: An Answer to Dean Prosser’, N.Y.U. L. Rev. 1964, 6, p. 971.
C. Walter, ‘Human Dignity in German Constitutional Law’, in: The Venice Commission, The principle of respect for human dignity, Strasbourg: Council of Europe Publishing 1999, p. 41. Zie onder andere BVerfG 27 juli 2005, 1 BvR 668/04, r.o. C.II.3.c en BVerfG 13 juni 2007, 1 BvR 1783/05, r.o. C.II.1.
Autonomie als onderdeel van de menselijke waardigheid (of waardigheidals- autonomie) heeft twee componenten: een onafhankelijks- en agencyprincipe. Het gaat ten eerste om de vraag ‘[w]hat, or who, is the source of control orinterference that can determine someone to do, or be, this rather than that’.1 Met andere woorden, kan de burger onafhankelijk van invloeden door anderen de keuze maken om bepaald gedrag te verrichten? Dit is een negatieve vrijheid doordat anderen door dwang op de beslisser uit te oefenen de hoeveelheid keuzealternatieven bepalen. Hierdoor verliest de persoon niet zijn volledige capaciteiten om autonoom te beslissen, maar wordt hij belet zijn capaciteiten zodanig te gebruiken waardoor niet kan worden gezegd dat hij een (volledig) eigen keuze maakt. Op deze manier is waardigheid een relationeel concept, dat afhankelijk is van de relatie tussen invloed door vreemden op de gedragsalternatieven en de beslisser en zijn beslissing. Bij een onafhankelijkheidsprincipe is autonomie een instrumentele waarde, waarbij meer keuze totmeer autonomie leidt. Terecht kan daarbij worden getwijfeld of een honderdste gedragsalternatief meer autonomie (in een zinvolle betekenis van het concept) oplevert.
Mensen ontwikkelen, onder andere door eerdere beslissingen, het volgen van onderwijs en het aangaan van relaties, coherente en consistente opvattingen en waarden waarop zij hun gedrag baseren. Het op basis van persoonlijke voorkeuren beslissen is ook een onderdeel van het autonoom beslissen. Zelfbeschikking is niet alleen het kiezen voor optie één, maar een persoon beslist autonoom als hij kan uitleggen waarom hij wel optie één kiest en tegelijk kan beredeneren waarom hij niet de opties twee tot en met tien kiest. Deze vorm van autonomie wordt door mij autonomie-als-agency genoemd.
Autonoom beslissen op grond van het recht op respect voor menselijke waardigheid is mijns inziens zowel zonder invloed van anderen (en dus onafhankelijk) als op basis van persoonlijke voorkeuren (en dus beredeneerd) beslissen. Dit laat de vraag nog onbeantwoord waarover iemand autonoom moet kunnen beslissen. Het recht op respect voor menselijke waardigheid is in deze zin breed. Bij het recht op respect voor menselijke waardigheid betreft de reikwijdte van de autonomie het gehele leven. Een menswaardig leven is niet beperkt tot bepaalde aspecten van het leven. Elke beperking in de reikwijdte is tegenstrijdig met de idee dat een burger onafhankelijk en op basis van persoonlijke voorkeuren beslissingen moet kunnen maken.
Het is direct duidelijk dat het recht op respect voor privacy in deze zin niet veel verschilt of kan verschillen van het recht op respect voor menselijke waardigheid. Het begrip privacy betekent dat personen autonome beslissingen over het privéleven in een van anderen af te schermen zone mogen nemen. Het bevat dus ook een onafhankelijkheids- en agencyconcept. Het onafhankelijkheidsconcept van privacy is dat de burger een deel van zijn leven van anderen kan en mag afschermen zodat hij zonder vergaande invloed van die anderen beslissingen kan nemen. Het agencyconcept van privacy bepaalt dat de burger op basis van zijn persoonlijke voorkeuren en overtuigingen beslissingen moet kunnen nemen. Met andere woorden, anderen mogen hem niet storen en beïnvloeden bij het bepalen van zijn privéleven. Het moge duidelijk zijn dat het recht op respect voor menselijke waardigheid en het recht op respect voor privacy op het onderdeel autonomie sterk overeenkomen.
Beslissingen betreffende het privéleven, zoals het aangaan en in stand houden van relaties en de keuze voor een bepaalde opleiding en professie, raken ook het menswaardig bestaan in de kern. Deze keuzes betreffen firstand foremost het privéleven. De vrijheid om beslissingen aangaande (de kwaliteit van) het leven omvatten onder meer de fysieke, sociale, economische en etnisch-culturele identiteit. Het is vanuit dit oogpunt – dat de reikwijdte van de autonomie-als-agency bij privacy en menselijke waardigheid overeenkomt – niet verwonderlijk dat het recht op respect voor privacy door Bloustein als onderdeel van het recht op respect voor menselijke waardigheid wordt gezien.2 Ook in de rechtspraak van het BVerfG – dat de rechtsprekende instantie is die, anders dan het EHRM en het HRC, het recht op respect voor menselijke waardigheid (art. 1 GG) expliciet en vaak verbindt met het persoonlijkheidsrecht (art. 2 GG) – wordt deze relatie benadrukt.3 Dit betekent mijns inziens dat autonomie in het licht van het recht op respect voor menselijke waardigheid en het recht op respect voor privacy hetzelfde betekent. Een burger moet onafhankelijk en op basis van persoonlijke voorkeuren beslissingen over zijn leven kunnen maken.
De (proces)autonomie binnen de eerlijk-procesrechten heeft daarentegen een veel smallere, engere reikwijdte met veel meer relevantie voor de toetsing van opsporingsmethoden. De reikwijdte van de autonome beslissingen, die mogelijk zijn op basis van het zwijgrecht en het nemo-teneturbeginsel, zijn gezien het doel van het eerlijk procesrecht veel beperkter. Aangezien het eerlijk procesrecht ‘slechts’ geldt bij de vaststelling van rechten en plichten door een rechter (en het onderzoek dat daaraan vooraf gaat), heeft het nemoteneturbeginsel logischerwijze een engere reikwijdte. In dit geval beperkt het doel en het toepassingsbereik van het eerlijk procesrecht ook de reikwijdte van het autonoom beslissen binnen het eerlijk proces. Daarbij moet worden opgemerkt dat de structuur wel overeenkomt. Het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht hebben ook twee componenten: een onafhankelijkheidsonderdeel en een agencyonderdeel. De verdachte moet onafhankelijk van vreemde invloeden procesbeslissingen kunnen nemen en mag derhalve niet door de autoriteiten worden gedwongen te spreken of bewijs over te dragen.
Verder moeten deze beslissingen, hoe de verdachte zich gedraagt in het proces met betrekking tot de bewijsgaring, afhankelijk zijn van zijn eigen voorkeuren. Hij moet zelfstandig kunnen bepalen of en waarom hij bewijs produceert of overdraagt en welke proceshouding hij aanneemt. Dit is het agencyaspect van de eerlijk-proces-autonomie. Maar ondanks dat de tweedeling binnen de autonomie gelijk is met het recht op respect voor menselijke waardigheid en privacy, is de reikwijdte veel beperkter. Het strekt zicht slechts uit tot beslissingen binnen een juridische proces waarbij een rechter over de in het geding zijnde rechten en plichten van de (verdachte) burger moet beslissen.
Voor een strafrechtelijke procedure betekent dit mijns inziens dat de verdachte rechten moeten worden toebedeeld die het hem mogelijk maken om (op bepaalde momenten) als autonoom persoon te handelen. Deze procesrechten komen hem ten eerste toe omdat de verdachte het onderwerp van een verhaal is. In een strafrechtelijke procedure staat (tenminste voor de bewijsbeslissing) de tenlastelegging centraal, waarin een verhaal is opgenomen over een strafbaar feit dat mogelijkerwijs door de verdachte is gepleegd. Het taalkundige onderwerp van het verhaal is de verdachte. Hij is echter niet de auteur van het verhaal. Het is de officier van justitie die het heeft opgesteld over een andere persoon en deze in het verhaal een strafrechtelijk verwijt maakt. Het is mensonwaardig om die persoon in een strafrechtelijke procedure monddood te maken. Het verhaal speelt zich immers af rond zijn persoon en gedrag. Als hij geen invloed kan uitoefenen op de bewijsvergaring en de rechterlijke beslissing is hij enkel lijdend voorwerp en derhalve een middel. Tegen en via hem wordt bewijs verzameld, over hem en zijn gedrag wordt gesproken en beslist terwijl hij geen enkele invloed op de uitkomst kan uitoefenen. Dit terwijl hij ook een mens is en daardoor in staat is om autonoom en op basis van zijn wil te handelen. Daarom moet hem de mogelijkheid worden geboden invloed uit te oefenen tijdens het proces door gebruik te maken van zijn unieke menselijke vermogen.
Ten tweede is een persoon niet alleen het onderwerp van het verhaal, hij heeft een persoonlijk verhaal dat is gebaseerd op zijn waarneming en ervaring van het gebeurde. Elk verhaal heeft meerdere zijden. Omdat een verhaal gebaseerd is op persoonlijke waarnemingen en ervaringen, hoort de verdachte de mogelijkheid te worden geboden deze naar voren te brengen. De verdachte is niet als waarnemer verbonden aan het strafproces en ook niet als mens die enkel reflecteert over wat wordt waargenomen. Hij heeft een eigen belang bij het proces. Hij moet, als mens op basis van zijn wil, invloed kunnen uitoefenen op het resultaat tijdens het proces. Hij heeft een persoonlijk verhaal te vertellen. Op verschillende manieren is zijn persoonlijke verhaal van belang voor de strafrechtprocedure. Ten eerste omdat bij veel delicten een subjectief bestanddeel in de delictsomschrijving is opgenomen. Ten tweede, en voor het onderhavige belangrijker, omdat het subjectieve verhaal van de verdachte een belangrijke bron van informatie is. Het persoonlijke verhaal wordt gebruikt om de gradatie van het subjectieve bestanddeel te bepalen. De geestesgesteldheid van de verdachte op een tijdstip in het verleden is moeilijk te bewijzen en daarbij kan de verklaring van de verdachte een belangrijke rol spelen. Zijn verklaring kan aanleiding geven om te spreken van roekeloosheid in plaats van grove onvoorzichtigheid, of van boos opzet in plaats van voorwaardelijk opzet. Verder spelen (afwezigheid van) spijt en berouw regelmatig een rol bij de straftoemeting. Daarnaast is het vertellen van het persoonlijke verhaal door de verdachte misschien de enige productie van ontlastend bewijs. De verdachte moet daarom de mogelijkheid krijgen zijn persoonlijke verhaal te vertellen. Dit biedt namelijk belangrijke aanknopingspunten voor de rechterlijke beslissing.
Ten derde is het verhaal van een persoon zijn verhaal. De tweede en derde uitwerkingen lijken op het eerste gezicht misschien gelijk. Het persoonlijke verhaal gaat over de persoonlijke zijde van een verhaal. Het nu centraal staande criterium ‘het eigen verhaal’ gaat over welke persoon het verhaal vertelt. Kan de verdachte zelf zijn verhaal vertellen of wordt hij gedwongen te praten? In dit deel speelt de aard en mate van dwang een belangrijke rol. Bepaalde aard en mate van dwang kunnen namelijk ervoor zorgen dat het verhaal dat een persoon vertelt niet zijn verhaal is, maar een verhaal dat hem wordt opgedrongen te openbaren. Handelingen die de verdachte als instrument gebruiken – zoals misleiding of fysiek of psychisch geweld – kunnen ertoe leiden dat de verdachte niet zijn verhaal vertelt. Het menswaardig behandelen van de verdachte houdt in dat hij, als (1) onderwerp van het verhaal, (2) zijn (3) persoonlijke verhaal kan vertellen.