De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.5:5.7.5 De optimale juridische organisatiestructuur?
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.7.5
5.7.5 De optimale juridische organisatiestructuur?
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS384343:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kort gezegd, kan op basis van hetgeen in de vorige (sub)paragrafen besproken is, geconcludeerd worden dat waar bij de keuze voor een juridische organisatiestructuur gewonnen wordt op de driver flexibiliteit in veel gevallen wordt ingeleverd op continuïteit en/of rechtszekerheid. Geen van de besproken rechtsvormen voldoet van nature aan alle drie de drivers. De maatschap biedt, zoals hierboven geschetst, veel flexibiliteit maar is minder aantrekkelijk als het aankomt op continuïteit en rechtszekerheid. Voor alle rechtspersonen geldt dat zij, met name vanwege het duidelijke, transparante (en voor een (groot) deel dwingendrechtelijke) wettelijke regime dat op deze rechtsvormen van toepassing is, van nature continuïteit en rechtszekerheid bieden. Ditzelfde wettelijke regime maakt deze rechtsvormen echter in veel gevallen aanzienlijk minder flexibel dan de maatschap.
Dit betekent dat er, naar mijn mening, in feite twee keuzemogelijkheden zijn in het kader van de optimale interne organisatiestructuur. Ofwel men kiest voor veel flexibiliteit (geeft deze driver prioriteit) maar moet door middel van aanvullende contractuele maatregelen zorgdragen voor een hogere mate van continuïteit en rechtszekerheid. De andere optie is dat er prioriteit gegeven wordt aan een basis van continuïteit en rechtszekerheid, waarmee de keuze valt op een van de rechtspersonen.
Wanneer gekozen wordt voor de eerste optie dan is, mijns inziens, de maatschap de rechtsvorm met de meest aangewezen organisatiestructuur. Vanwege haar aard en het soort recht dat op haar van toepassing is, is zij zonder twijfel de meest flexibele rechtsvorm op het gebied van inrichting. Bovendien is zij van oorsprong gericht op samenwerking, beroepsuitoefening én het behalen van voordeel. De wettelijke regeling die op haar van toepassing is, laat bovendien voldoende ruimte om aanvullende afspraken te maken ten aanzien van het waarborgen van de continuïteit van het samenwerkingsverband alsmede de mate van rechtszekerheid (voor de vennoten).
Wanneer men voor de tweede optie kiest en de voorkeur geeft (aan de drijfveren) continuïteit en rechtszekerheid, is het vervolgens de vraag welke rechtspersoon (al dan niet in combinatie met aanvullende contractuele en/of statutaire regelingen) de meeste flexibiliteit biedt. Naar mijn mening is dit, op basis van bovenstaande analyse, de coöperatie. De coöperatie combineert rechtspersoonlijkheid (die continuïteit en rechtszekerheid met zich meebrengt) immers met de meeste flexibiliteit. Met name het feit dat er geen dwingendrechtelijke regels ten aanzien van kapitaal (bescherming) gelden, maakt haar aantrekkelijker dan de kapitaalvennootschappen. Daarnaast maakt ook het overwegend regelend verenigingsrecht dat van toepassing is op de coöperatie dat de (civiel-)juridische bepalingen waaraan een coöperatie moet voldoen flexibeler zijn dan de bepalingen die gelden voor de kapitaalvennootschappen. De coöperatie is immers flexibel op het gebied van orgaanstructuur en besluitvorming en vormt vanwege het feit dat zij van nature (ook) zowel gericht is op samenwerking als op het behalen van voordeel derhalve, mijns inziens, letterlijk de ‘gulden middenweg’ tussen de maatschap en de kapitaalvennootschappen. Ik durf zelfs te stellen dat wanneer men hier helder vorm aan geeft in de statuten van de coöperatie en een eventuele ledenovereenkomst, de flexibiliteit van deze rechtsvorm vergelijkbaar is met die van de maatschap.
Met Mohr1 en Zaman & Grapperhaus2 ben ik van mening dat de coöperatie hiermee (in ieder geval qua organisatiestructuur) een prima alternatief is voor de maatschap. Nadelig aan de coöperatie is en blijft wel (en daarmee is zij, wat mij betreft, dan ook niet rechtsvorm met dé optimale interne structuur) het feit dat de interne organisatie van de coöperatie oorspronkelijk niet bedoeld was en is voor beroepsuitoefening. Hierdoor zal het in niet alle gevallen even gemakkelijk zijn om vorm te geven aan de invulling van dwingendrechtelijke wettelijke omschrijving van deze rechtsvorm (het voorzien in stoffelijke behoeften van de leden) wanneer zij wordt gebruikt voor beroepsuitoefening. Gezien de vrijheid die ook hierbij bestaat, is dit nadeel in veel gevallen echter wel te relativeren. Een ander nadeel aan de coöperatie (dat overigens niet zozeer ziet op de interne structuur als wel op het imago van deze rechtsvorm) is dat deze rechtsvorm relatief3 onbekend is in het buitenland. Het is echter de vraag in hoeverre dit in de praktijk daadwerkelijk een relevant nadeel is voor beroepsbeoefenaren. De meeste van de beroepsgroepen die in dit onderzoek centraal staan, zijn immers op grond van de beroepsregels of de aard van het beroep (bijvoorbeeld de specialisatie in Nederlands recht) gebonden aan beroepsuitoefening in Nederland.
Al met al hebben dus zowel de maatschap als de coöperatie een flexibele en daarmee voor beroepsuitoefening aantrekkelijke, interne organisatiestructuur. Waar aan de maatschap (aanvullend) door middel van nadere (contractuele) afspraken ‘gesleuteld’ moet worden om ook de continuïteit en de rechtszekerheid van het samenwerkingsverband voldoende te kunnen waarborgen, dient bij de coöperatie deze ‘reparatie’ plaats te vinden door middel van het vooraf op maat snijden van de statuten en (de verplichte) ledenovereenkomst zodat deze rechtsvorm ook toegespitst is op het uitoefenen van een beroep.
Het zou overigens te kort door de bocht zijn om de BV hier links te laten liggen. Ook zij kent verschillende interessante mogelijkheden om de interne structuur van het samenwerkingsverband flexibel in te richten. Wanneer we de BV echter met de coöperatie vergelijken en hierbij de optelsom maken van het soort recht dat van toepassing is (dwingend versus grotendeels regelend), het karakter (kapitaalvennootschap versus samenwerkingsverband), de orgaanstructuur (dualistisch versus plat(ter)), besluitvorming en kapitaal (meer regels versus minder regels), is en blijft de coöperatie, naar mijn mening, een aantrekkelijkere optie voor de vormgeving van de samenwerking tussen beroepsbeoefenaren. De BV is (wel) aanzienlijk aantrekkelijker dan de NV, maar wat mij betreft is ze een ‘runner-up’ voor de coöperatie (en de maatschap4).