Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/2.5.7.1
2.5.7.1 Groepsuitbesteding
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS597593:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 2.5.3.2.
In gelijke zin: Inleidende toelichting Rob. Zie verder Chirico 2010, p. 93 (voetnoot 130).
Voor de internationale richtlijnen gaat het om: Guideline 4, lid 5 en Guideline 6, lid 2, CEBS-richtlijnen 2006; IOSCO-richtlijnen 2005, p. 1; Joint Forum-richtlijnen 2005, p. 4.Voor de Europese richtlijnen gaat het enkel om art. 14, lid 4, Uitvoeringsrichtlijn MiFID. In strijd met de richtlijn is dit gemitigeerde regime voor groepsuitbesteding door beleggingsondernemingen overigens niet opgenomen in de Nederlandse regelgeving. Terecht kritisch daarover is Joosen 2009, p. 500-502.Voor de voormalige toezichthouderregels gaat het om: Toelichting op art. 61 en 62 Rob; Toelichting op art. 7, Ruv; Toelichting op art. 7, Bup.
Dat speelt bijvoorbeeld wanneer demoedervennootschap de aandelen in het kapitaal van de (dienstverlenende) dochtervennootschap verkoopt aan een derde van buiten de groep van ondernemingen.
Met een 403-verklaring stelt, kort gezegd, een moedermaatschappij zich aansprakelijk voor schulden van een dochtermaatschappij. Het is gewoonlijk de bedoeling die aansprakelijkheid na “uitvaren” van de dochtermaatschappij te beëindigen. Daar is vaak ook een aanzienlijk (aansprakelijkheids)belang mee gemoeid. Desondanks wordt in de praktijk toch vaak vergeten de 403-verklaring in te trekken. Vergelijk Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/94, m.nt. Bartman (Hoeveholding) en (met een overigens geheel andere uitkomst) Hof Amsterdam (OK) 30 september 2010, JOR 2010/306, m.nt. Bartman (Jones Lang LaSalle/BosGijze Holding).
Voorbeelden hiervan zijn Rb Rotterdam 25 mei 2009, JOR 2009/231, m.nt. Grundmann- van de Krol onder JOR 2009/232 (Stichting Belangen Investeerders PG 201), en Rb Rotterdam 3 maart 2008, JOR 2008/232 (Adviesgroep Nederland).
Men spreekt van een concernleidingsplicht. Het standaardarrest is Hof Amsterdam (OK) 22 december 1983, NJ 1985, 383 (Ogem), gesanctioneerd door HR 10 januari 1990, NJ 1990, 465. Zie voorts Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 828, ook voor verdere verwijzingen.
Art. 80, lid 1, sub a, Gedelegeerde AIFMD-verordening noemt een dergelijke uitbesteding waarbij de dienstverlener (op grond van groepsverbanden of andere contractuele relaties) zeggenschap heeft over de uitbesteder, een van de criteria om te bepalen of een uitbesteding strijdig ismet de belangen van de abi-beheerder of van de belegger in de abi.
Een uitbesteding aan een dienstverlener die deel uitmaakt van dezelfde groep van ondernemingen valt binnen het bereik van de uitbestedingsregels.1 Het bestaan van groepsverbanden geeft mogelijk enige “control”. De moedermaatschappij binnen een groep heeft immers een toezichthoudende taak ten aanzien van de werkzaamheden van de dienstverlenende groepsmaatschappij.2 De groepsbanden vormen echter geen garantie voor een vlekkeloze uitvoering. Voor de vraag of een uitbesteding “wezenlijk” is, is het daarom niet relevant of de dienstverlener deel uitmaakt van de groep van ondernemingen waartoe de uitbesteder behoort.
Het is wel voorstelbaar dat het bestaan van groepsverbanden rechtvaardigt dat de uitbesteder met minder (overige) beheersingsmaatregelen volstaat. Enkele uitbestedingsregelingen voorzien dan ook in een gemitigeerd regime voor groepsuitbestedingen.3 Ook het Bpr voorziet in een gemitigeerd regime voor DNB-vergunde ondernemingen.4
Toch zal de uitbesteder zich steeds moeten afvragen of het totaal aan genomen beheersingsmaatregelen afdoende is. Het bestaan van groepsverbanden geeft misschien enige “control”; de uitbesteder blijft volledig verantwoordelijk. Het (eventuele) bestaan van een gemitigeerd regime doet daar niet aan af. Het gevoel van veiligheid moet niet tot nonchalance leiden. De uitbesteder moet bovendien bedacht zijn op de mogelijkheid dat de dienstverlenende groepsmaatschappij ooit zal “uitvaren” of wel zal ophouden tot de groep van ondernemingen te behoren.5 Op het moment van “uitvaren” vervallen de groepsbanden. Op dat moment moet het wegvallen van de “control” die de groepsbanden opleverden, worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen te nemen. De ervaringen met “uitvaren” bij zogenaamde 403-verklaringen geeft weinig vertrouwen dat de uitbestedingsovereenkomst op dat moment daadwerkelijk zal worden aangepast.6
Het is overigens maar de vraag of het bestaan van groepsverbanden in de praktijk werkelijk “control” geeft.7 Weliswaar “zijn de lijntjes korter”. Een moedermaatschappij kan de groepsdienstverlener bovendien bindende instructies geven. Tegelijkertijd kan er ook een sociale drempel bestaan om “een groepscollega” aan te spreken. Ook lopen de belangen van de moedermaatschappij niet per definitie gelijk met de belangen van de uitbestedende groepsmaatschappij. De moedermaatschappij zal zich óók de belangen van de dienstverlenende groepsmaatschappij aantrekken. Het belang van de uitbestedende groepsmaatschappij kan vergen dat de groepsdienstverlener (kostbare) beheersingsmaatregelen neemt of zelfs dat de relatie met de groepsdienstverlener wordt beëindigd. Het is niet vanzelfsprekend dat de moedermaatschappij hier het belang van de uitbestedende groepsmaatschappij vooropstelt.
Nog meer reden tot twijfel over de “control” ontstaat wanneer de moedermaatschappij de partij is aan wie wordt uitbesteedt. Op grond van de groepsbanden stuurt een moedermaatschappij de gang van zaken in haar dochtermaatschappijen aan. Daar is ze zelfs toegehouden.8 De “control”- verplichting dwingt echter tot een omgekeerde hiërarchie waarbij de uitbesteder zijn moedermaatschappij aanstuurt. Het is maar de vraag in hoeverre (het bestuur van) een dochtermaatschappij “control” kan uitoefenen over haar dienstverlener, als die dienstverlener haar moedermaatschappij is.9