Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.5.2
3.5.2 De werking van het gevolgbestanddeel
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573520:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wattel 1989, p. 121; J. Wortel, Vervolgen in belastingzaken, Deventer: Kluwer 1991, p. 94; G.J.M.E. de Bont, ‘Het gevolgbestanddeel in art. 69, lid 1, AWR’, TFB 1999/5, p. 18-19; W.E.C.A. Valkenburg, ‘Van de dubbele potentialis naar het strekkingsvereiste en het overgangsrecht’, WFR 2001/6455, p. 1560; G.J.M.E. de Bont en J.M. Sitsen, ‘Tour d’horizon fiscaal strafrecht anno 2009’, TFB 2009/8, p. 4-5;, Valkenburg en Van der Werff 2014, p. 50, 51.
Vergelijk Rb. ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4747 (overweging in verband met onjuistheid als gevolg van het niet opgeven van bankrekeningen). De rechtbank lijkt ervan uit te gaan dat het opzet wel op het strekkingsvereiste moet zien.
Rb. Utrecht 9 augustus 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4485: “De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat als er minder omzet aan de Belastingdienst wordt opgegeven er minder omzetbelasting zal worden geheven.”
Anders: W.E.C.A. Valkenburg, ‘Opzet en strekkingsvereiste in fiscalibus: van objectivering naar subjectivering?’, Strafblad 2008, p. 53-56. Valkenburg verwacht dat het vervallen van de objectivering van het strekkingsvereiste ruimte biedt om genuanceerder naar het opzet bij fiscale delicten te kijken.
In de literatuur wordt algemeen geconcludeerd dat het geobjectiveerde gevolgbestanddeel, of het nu de vorm van de dubbele potentialis of van het strekkingsvereiste heeft, weinig toegevoegde waarde heeft.1 Het geobjectiveerde gevolgbestanddeel voegt naar mijn mening, ondanks de bedoeling van de wetgever bij de herziening van het fiscale strafrecht in de jaren ‘90, inderdaad weinig toe.
Het doen van een onjuiste aangifte is namelijk per definitie geschikt om onjuiste belastingheffing te veroorzaken. Uitsluitend in situaties waarin de onjuiste aangifte zich niet zou kunnen vertalen in onjuiste belastingheffing kan het gevolgbestanddeel betekenis hebben. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie waarin de aangifte onjuiste informatie bevat die de belastingheffing niet kan raken, de situatie waarin de wijze van informatieverschaffing onjuist is, terwijl de relevante informatie wel met het doen van de aangifte is verstrekt, of bij aangiftebelastingen de situatie waarin ondanks de onjuiste aangifte wel het juiste belastingbedrag is betaald.2
Er bestaat derhalve weinig verschil tussen het bewijs dat de aangifte onjuist is en het bewijs dat die onjuiste aangifte tot onjuiste belastingheffing of - betaling kan leiden. Er bestaat ook weinig verschil tussen het bewijs dat de aangifte onjuist is en het bewijs dat de belastingheffing of -betaling onjuist is.
Omdat het gevolgbestanddeel weinig toegevoegde waarde heeft, maakt het voor de invulling van het opzetbegrip ook weinig verschil of het gevolgbestanddeel is geobjectiveerd of niet. Het is naar mijn mening zelfs een feit van algemene bekendheid dat een onjuiste belastingaangifte tot te weinig belastingheffing kan leiden.3 Wie zich bewust is geweest van de mogelijkheid dat de aangifte onjuist is, zal in beginsel niet kunnen volhouden dat hij zich niet bewust is geweest van de mogelijkheid dat er te weinig belasting zal worden geheven.
Het maakt derhalve weinig verschil of het opzet alleen is gericht op de onjuiste aangifte, zoals in de strafbepaling van art. 69 lid 2 AWR en de boetebepaling van art. 67d AWR het geval is, of dat het opzet zou zijn gericht op de onjuiste aangifte én op het gevolgbestanddeel, zoals het geval zou zijn als het gevolgbestanddeel niet zou zijn geobjectiveerd, of dat het opzet is gericht is op de onjuiste belastingheffing of -betaling, zoals in de boetebepalingen van art. 67e AWR en art. 67f AWR het geval is.4