Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.3.2.2
4.3.2.2 De rol van de levering of vestiging en het bepaaldheidsvereiste
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453233:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het is de vraag of dit vereiste terug te vinden is in art. 3:84 lid 2 BW, dat bepaalt dat het goed bij de titel met voldoende bepaaldheid omschreven moet zijn. Moet hiervoor levering gelezen worden? Reeds in 1981 wees Kleijn erop dat het in art. 3:84 lid 2 BW zal moeten gaan om de levering en niet om de titel, zie zijn noot onder HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265 (Solleveld, Romijn & Co.). Zie voorts Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 230; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 204; Bartels 2004a, noot 3; Janssen 2006a; Mes 2012; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117; Struycken 1997, p. 126, 132; Struycken 2007, p. 790; Verdaas 2008, p. 135. Inmiddels heeft de Hoge Raad deze opvatting bevestigd in HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 (Mulder q.q./Rabobank), r.o. 3.4, zie ook de conclusie van Hartkamp bij het arrest (ECLI:NL:PHR:2002:AE7842). Voorheen bestond hierover nog discussie, zie voor argumenten tegen deze opvatting Breedveld-de Voogd & Huijgen 2007, p. 403; Molenaar 1999, p. 11; Peter 2007, p. 2-3; Snijders 1998; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 316; Verdaas 2001, p. 217-218; Verdaas 2008, p. 134-135. Zie voorts Rank- Berenschot 1998a; Reehuis 1989, p. 82. Hoe dan ook staat vast, of dit nou voortvloeit uit art. 3:84 lid 2 BW of niet, dát het goed bij de levering in voldoende mate bepaald dient te zijn, Bartels 2004a, noot 3; Bauduin 2014, p. 182-183; Kaptein 2013, par. 4.1; Peter 2007, p. 2-3; Verdaas 2001, p. 218.
MünchKommBGB/Gaier 2009 Einl. SachenR nr. 21; Prütting 2014, nr. 27; Wilhelm 2010, nr. 21-23.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 230, 248; Bartels 2004a, p. 5-6; Münch-KommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 2, 6, Anh zu §§929-936 nr. 5; Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1248; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 117, 259b; Rongen 2012, nr. 782; Struycken 1997, p. 122, 134-135; Struycken 2007, p. 790; zie ook Verdaas 2011, p. 217-218.
Art. 3:90 jo. 3:114 BW respectievelijk art. 3:236 BW.
Vgl. Schimansky, Bunte & Lwowski/Merkel 2011 §93 nr. 122; vgl. Staudinger/Wiegand 2011 §929 nr. 12, Anh zu §§ 929-931 nr. 96.
Art. 3:90 jo. 3:115 BW respectievelijk art. 3:237 BW. Vgl. Hromadka 1971, p. 52.
Bij openbare verpanding of cessie van vorderingen is immers naast een akte, ook mededeling van de verpanding of cessie aan de debiteur nodig (3:94 lid 1 en 3:236 lid 2 jo. 3:94 lid 1 BW), zie Rongen 2012, nr. 809. Het is echter voorstelbaar dat meerdere vorderingen op dezelfde debiteur openbaar gecedeerd of verpand worden. Dan geldt hetgeen ik in het navolgende over de bepaaldheid bij stille cessie en verpanding zeg evenzeer. Daarnaast is nodig dat “degene aan wie de kennisgeving moet worden gedaan, in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen welk vermogensbestanddeel pandgever en pandnemer op het oog hebben,” zie HR 21 april 1996, NJ 1996, 652 (Eemswater/Houthoff q.q.), r.o. 3.4.
Art. 3:94 lid 3 respectievelijk 3:239 BW.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 230-233; Bartels 2004a, p. 5-6; Münch-KommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 6.
Barret, Rép. civ., “Vente (2° formation)”, nr. 296 e.v. (online, laatst bijgewerkt oktober 2014); Barret, Rép. civ., “Vente (3° effets)”, nr. 27 (online, laatst bijgewerkt april 2015); Van Vliet 2000, p. 75. Zie ook paragraaf 4.2.2.1.
Dit is slechts anders wanneer het zou gaan om een onbepaald deel van een bepaalde categorie goederen, bijvoorbeeld “de helft van mijn vorderingen”, of “een vordering”. De vraag is dan: Welke helft wordt bedoeld? Welke vordering wordt bedoeld? Gaat het om “al mijn vorderingen”, dan is precies duidelijk om welke van mijn vorderingen het gaat, namelijk alle. Zie Dauchez 2013, nr. 113; Struycken 1997, p. 153; Van Swaaij 2000, nr. 114. Overigens acht de Hoge Raad zelfs de cessie van een onbepaald gedeelte van een groep vorderingen, namelijk een aantal vorderingen tot een bepaald bedrag, toelaatbaar: HR 19 december 1997, NJ 1998/690 (Zuidgeest/Furness).
Bartels 2004a, p. 8; Bauduin 2014, p. 185; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259b; Struycken 1997, p. 139, 150, 157. Zie ook HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 (Mulder q.q./Rabobank), r.o. 3.5.
Rongen 2012, nr. 801 e.v.; Struycken 1999; HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182 (Mulder q.q./Rabobank), r.o. 3.5. Vgl. Van den Heuvel 2004, p. 1-2.
Zie paragraaf 5.2.
Struycken 1997, p. 135-139, zie Rongen 2012, nr. 818.
Rongen 2012, nr. 782, 816 e.v. De beschermende functie werd met name gepropageerd door Struycken (1997, p. 135-139), die hiervan teruggekomen lijkt te zijn, zie Struycken 2010, p. 311-312, 326-327. Zie ook Van Hoof 2015, p. 378-379.
Zie Van Hoof, p. 25-26.
Zie bijvoorbeeld Voorduin 1838, p. 461, waar wordt gesproken over “algemeene en onbepaalde hypotheken”.
Aldus ook Van Hoof 2015, p. 247, 272-273, 355-356. Ik zou daarom niet, zoals Stein (GS Vermogensrecht, art. 3:236, aant. 40.7 (online, laatst bijgewerkt 30 oktober 2013)) lijkt te doen, willen spreken van het specialiteitsbeginsel om daarmee het bepaaldheidsvereiste bij verpanding aan te duiden.
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447 (Spaarbank Rivierland/Gispen q.q.).
Zie bijvoorbeeld Struycken 1998, p. 429; Kortmann & Faber 1998; Struycken 1999; Kortmann & Faber 1999.
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, NJ 2005/96, r.o. 5.2.2.
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842, NJ 2004/182.
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, NJ 2012/261, JOR 2012/200, met noot Schuijling (Dix q.q./ING), r.o. 4.6.3.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 259a.
Vgl. HR 16 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4602, NJ 2004/183 (De Liser de Morsain/Rabobank). De onderhandse aktes bij stille cessie, verpanding van vorderingen en bij stille verpanding van roerende zaken worden niet openbaar geregistreerd, waardoor een uitleg naar subjectieve maatstaven kan volstaan: een derde kan immers niet afgaan op de inhoud van de akte, zie Veenstra 2009, p. 47-50; Veerbeek 2005, p. 47, 51; Verstijlen 2004, p. 13. Verstijlen 2011a acht deze uitleg naar subjectieve maatstaven onwenselijk, omdat de pandaktes weliswaar niet openbaar geregistreerd zijn, maar wél bestemd zijn om tegengeworpen te worden aan derden. Naar mijn mening snijdt dit argument echter geen hout, nu derden bij hun handelen met de inhoud van deze aktes op geen enkele wijze rekening kunnen houden, omdat de aktes niet openbaar zijn. Waarom dan bij de uitleg van deze aktes rekening houden met de betekenis die derden eraan zouden kunnen ontlenen? Zie Kaptein 2013 en Rongen 2012, nr. 811, 821.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 232. Ook roerende zaken kunnen dus ‘generiek’ verpand of overgedragen worden langs de weg van art. 3:90 jo. 3:115 BW respectievelijk art. 3:237 BW, zie Rongen 2012, nr. 802; Verdaas 2001, p. 214. Aldus werd in het Sio-arrest bepaald: de overdracht van alle machines welke later in het bedrijf van de vervreemder zullen komen, is voldoende bepaald: HR 22 mei 1953, NJ 1954/189.
MünchKommBGB/Kohler 2013 §873 nr. 61-62.
Zie MünchKommBGB/Damrau 2013 §1205 nr. 10.
Een uitzondering vormt het bijzondere pandrecht uit het Pachtkreditgesetz en het pandrecht (wij zouden zeggen: hypotheekrecht) op schepen en luchtvaartuigen, zie MünchKommBGB/Damrau 2013 §1205 nr. 15.
Schimansky, Bunte & Lwowski/Merkel 2011 §93 nr. 122; vgl. Hromadka 1971, p. 52; Staudinger/Wiegand 2011 §929 nr. 12, Anh zu §§ 929-931 nr. 96.
Zie §930 BGB, MünchKommBGB/Oechsler 2013 §930 nr. 9; Bülow 2012, nr. 1281 e.v; Staudinger/Wiegand 2011 §930 nr. 12; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 385 e.v. Volgens de tekst van §930 BGB is vereist het overeenkomen van een rechtsverhouding op grond waarvan de verkrijger het middellijk bezit zal verkrijgen. Ik ga niet in op de discussie in de literatuur over de vraag of dit een concrete rechtsverhouding zoals huur, bruikleen of bewaarneming dient te zijn, zie hierover MünchKommBGB/Oechsler 2013 §930 nr. 14 e.v.; Staudinger/Wiegand 2011 §930 nr. 15 e.v. De heersende leer is dat een concrete rechtsverhouding nodig is, zie MünchKommBGB/Oechsler 2013 §930 nr. 10.
BGH 31 januari 1979, NJW 1979, 976; Bülow 2012, nr. 1283; MünchKommBGB/Oechsler 2013 §929 nr. 25, Anhang nach §§929-936 nr. 5; Staudinger/Wiegand 2011 Anh zu §§ 929-931 nr. 97;.
Bülow 2012, nr. 1292 e.v.; Palandt/Bassenge 2015 §930, nr. 6; Staudinger/Wiegand 2011 §929 nr. 31; Wilhelm 2010, nr. 866. Vgl. MünchKommBGB/Damrau 2013 §1204 nr. 10-11.
Raumsicherungsvertrag, Markierungsvertrag; Bülow 2012, nr. 1284; Münch-KommBGB/Oechsler 2013 Anhang zu §§929-936 nr. 7; Soergel/Stadler 2002 Einl. nr. 43; Schimansky, Bunte & Lwowski/Ganter 2011 §95 nr. 95 e.v.
Schimansky, Bunte & Lwowski/Ganter 2011 §95 nr. 40.
Bijvoorbeeld om te bepalen welke zaken onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd en welke niet, wanneer alleen de zaken in eigendom van de vervreemder worden overgedragen, zie BGH 20 maart 1986, NJW 1986, 1985-1986. Deze onbepaaldheid kan overigens gemakkelijk worden tegengegaan door naast de reeds volledig in eigendom overgedragen zaken de Anwartschaftsrechte van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken in de overdracht te betrekken, zie MünchKommBGB/Oechsler 2013 Anhang zu §§929-936 nr. 7.
BGH 31 januari 1992, NJW 1992, 1161.
Voor meer voorbeelden van gevallen waarin wel of juist niet voldaan wordt aan het bepaaldheidsvereiste, zie Palandt/Bassenge 2015 §930, nr. 4-5.
Brinkmann 2011, p. 123, 125; Grädler 2012, p. 117, 175-177; Palandt/Bassenge 2015 §930, nr. 2; Soergel/Stadler 2002 Einl. nr. 43; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 386-387.
Grädler 2012, p. 177; MünchKommBGB/Damrau 2013 §1273 nr. 4; Schimansky, Bunte & Lwowski/Merkel 2011 §93 nr. 66; Staudinger/Wiegand 2009 §1273 nr. 14-15. Voor verpanding van vorderingen is mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar vereist (§1280 BGB), waardoor in elk geval de schuldenaar bekend dient te zijn. Om deze reden wordt vaak gebruik gemaakt van de zekerheidscessie (Sicherungsabtretung), waarvoor dit niet vereist is, zie Palandt/Bassenge 2015 Einf v §1273, nr. 2; Staudinger/Wiegand 2009 §1280, nr. 1-2.
Brinkmann 2011, p. 160; Bülow 2012, nr. 1381-1384; MünchKommBGB/Roth 2012 § 398 nr. 79, 81; MünchKommBGB/Gaier 2013 Einl. SachenR nr. 21; Palandt/Grüneberg 2015 §398, nr. 14; Soergel/Stadler 2002 Einl. nr. 43; Staudinger/Busche 2012 §398 nr. 7-18, 53-65. Vgl. ook Schimansky, Bunte & Lwowski/Ganter 2011 §96 nr. 44 e.v.
Tweehuysen 2009; zie ook paragraaf 4.2 waarin wordt beschreven dat in het Franse recht het fonds de commerce een object van goederenrechtelijke rechten is, maar niettemin onderdelen daarvan bij de overdracht en verpanding gespecificeerd dienen te worden.
Dit is in het Nederlandse recht het geval. Zie voor het bepaaldheidsvereiste deze paragraaf en voor het uniciteitsbeginsel paragraaf 2.3.2.
Illustratief is HR 4 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6165, NJ 2005/326 (Thomassen Metaalbouw/Vos), waarin de Hoge Raad oordeelde dat “[i]n een geval als het onderhavige, waarin volgens de overgelegde akte van oprichting en inbreng, die te dezen als akte van cessie kan gelden, ‘alle activa van gemelde onderneming’, een eenmanszaak, zijn ingebracht in een besloten vennootschap, het ook bij betwisting door de schuldenaar in beginsel geen nadere motivering [behoeft] dat een in de uitoefening van de eenmanszaak ontstane vordering tot de overgedragen activa behoort.”
De intellectuele eigendomsrechten die vatbaar zijn voor verpanding, worden verpand bij akte, waardoor voor die rechten hetzelfde geldt als voor vorderingen en roerende zaken, zie HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381, NJ 2002, 610 (ING/Muller q.q.). Soms is voor derdenwerking van die pandrechten inschrijving in een speciaal voor dat type recht bestaand register nodig. Zie Steneker 2012, nr. 67 voor een overzicht van de vestigingsvereisten per type IE-recht en verwijzingen naar relevante wetsbepalingen. Zie over het bepaaldheidsvereiste bij IE-rechten voorts Le Poole 2002, nr. 4.3-44.
Ik verwijs bij voorbaat naar de ten tijde van het ter perse gaan van dit boek nog niet verschenen dissertatie van Schuijling over dit onderwerp (B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen, Deventer: Wolters Kluwer 2016).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 307 e.v. Voor het Duitse recht zie: Münch-KommBGB/Roth 2012 § 398 nr. 84-85a; MünchKommInsO/Breuer 2013 §91 nr. 43; MünchKommInsO/Ganter 2013 §51 nr. 105-10. In het Duitse recht kunnen vóór het faillissement bij voorbaat gecedeerde vorderingen onder omstandigheden nog wel bij ontstaan tijdens faillissement van de cedent overgaan op de cessionaris, zie MünchKommBGB/Roth 2012 § 398 nr. 85.
Bijvoorbeeld door een zogenaamde ‘verzamelpandakte’ (of ‘verzamelcessieakte’), HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, NJ 2012/261, JOR 2012/200, met noot Schuijling (Dix q.q./ING), zie Mennens 2013; Verstijlen 2011b. Overigens is het zogenaamde ‘grondslagvereiste’ van art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW geen uitvloeisel van het bepaaldheidsvereiste, zo constateert Rongen 2012, nr. 788 terecht.
Dit wordt in de Duitse literatuur niet met zoveel worden aan de orde gesteld, maar volgt uit het vereiste dat de vervreemder beschikkingsbevoegd dient te zijn op het moment dat de overdracht wordt ingeschreven, zie MünchKommBGB/Kohler 2013 §873 nr. 66-72; Staudinger/Gursky 2012 §873 nr. 69, 75-76, 78. Vgl. ook de onmogelijkheid van een Auflassung (de Einigung over de eigendomsovergang van onroerende zaken) onder voorwaarde of tijdsbepaling: MünchKommBGB/Kanzleiter 2013 §925 nr. 26; Schulze/Staudinger 2014 §925, nr. 8; Staudinger/Pfeifer 2011 §925 nr. 91.
Althans, in theorie is een geslaagd beroep op nietigheid wegens strijd met de goede zeden (of een andere remedie) in een situatie van Übersicherung ook naar Nederlands recht denkbaar, maar in principe wordt naar Nederlands recht aanvaard dat de goederen waarop de zekerheidsrechten zijn gevestigd de waarde van de gezekerde vordering(en) in grote mate kunnen overstijgen. Zie Beuving & Tjittes 1998; Van den Heuvel 2001.
MünchKommBGB/Armbrüster 2012 §138 nr. 98-101; Schimansky, Bunte & Lwowski/Ganter 2011 §90 nr. 349-362a.
83. In dit kader zijn de wijze van levering of vestiging van belang en het bepaaldheidsvereiste. Het bepaaldheidsvereiste is het vereiste dat goederen bij de levering1 (of vestiging, zie art. 3:98 BW) voldoende bepaald moeten zijn. Ook het Duitse recht kent het bepaaldheidsvereiste (Bestimmtheitsgrundsatz).2 De objecten van een beschikking moeten aangeduid worden, bepaald zijn, omdat iedere beschikking een bepaald onderwerp moet hebben. De functie van het bepaaldheidsvereiste is het identificeren van de goederen waarop een beschikkingshandeling betrekking heeft. Overdracht van eigendom of vestiging van een beperkt recht zonder dat duidelijk is waarop de beschikkingshandeling betrekking heeft en waarop het recht rust of komt te rusten, is moeilijk voorstelbaar. Wil een goederenrechtelijk recht enige zin hebben, dan moet duidelijk zijn op welk goed dat recht betrekking heeft.3
Wanneer roerende zaken worden overgedragen of verpand door feitelijke overgave aan de verkrijger,4 zijn de betrokken zaken als vanzelf bepaald en geïdentificeerd.5 Anderzijds betekent het gebruik maken van de feitelijke overgave als wijze van bezitsverschaffing dat het niet mogelijk is de zaken middels een algemene omschrijving in een akte over te dragen. Is dat de wens, dan zal gekozen moeten worden voor een leveringsof vestigingsvariant die geen feitelijke handeling vereist.6 Iets vergelijkbaars gaat op voor vorderingen. Het vereiste van mededeling bij openbare cessie of verpanding verhindert dat in één klap over een groep vorderingen beschikt kan worden.7 Daarvoor zijn de stille leveringsvarianten de aangewezen weg.8
Bij de leveringsvormen die niet gepaard gaan met een verschuiving in de feitelijke macht over de zaak of mededeling aan de debiteur is een nadere omschrijving van de betrokken objecten noodzakelijk, zodat duidelijk is waar de levering betrekking op heeft.9 Dit is ook terug te zien in het Franse recht, dat een consensueel stelsel van overdracht hanteert. Een enkele overeenkomst volstaat in beginsel voor eigendomsoverdracht, maar dan moet wel duidelijk zijn op welke objecten de overdracht ziet.10
Zo bezien is een object van levering al gauw in voldoende mate bepaald. Als ik ‘al mijn vorderingen’ cedeer of ‘al mijn roerende zaken’ overdraag, zijn die goederen te identificeren.11 Desalniettemin wordt over bepaaldheid gesproken in termen van het vereisen van een ‘hoge mate’ of ‘lage mate’ van bepaaldheid, of in termen van het ‘strikt’ of ‘streng’ invullen van het bepaaldheidsvereiste.12 Daarmee wordt bedoeld dat soms een algemene (ook wel genoemd ‘generieke’13) omschrijving van de betrokken goederen niet volstaat of dat in theorie denkbaar is dat een meer specifieke omschrijving wordt vereist. Zo volstaat in het Nederlandse recht een algemene omschrijving (‘al mijn onroerende zaken’) in de akte niet wanneer het om registergoederen gaat. Weliswaar kan in één akte over meerdere registergoederen tegelijk worden beschikt, maar de registergoederen moeten afzonderlijk worden aangeduid in de notariële akte (art. 20 Kadw).14 Ook is wel verdedigd dat van het bepaaldheidsvereiste een beschermende functie uitgaat en dat om die reden een algemene aanduiding van de betrokken goederen niet zou volstaan.15
Tegenwoordig is men het erover eens dat de functie van het bepaaldheidsvereiste is gelegen in het identificeren van de goederen waarover wordt beschikt en dat hiervan geen beschermende functie uitgaat.16 Een ‘generale’ verpanding of overdracht, waarbij wordt volstaan met een algemene omschrijving van de betrokken goederen,17 is dus in beginsel mogelijk. De regel dat registergoederen afzonderlijk moeten worden aangeduid en een generale beschikking daarbij niet mogelijk is, het specialiteitsbeginsel, is ook niet ingegeven door de wens naar bescherming van de schuldenaar tegen het in zekerheid geven van zijn gehele vermogen. Dit bespreek ik uitvoerig in paragraaf 5.2, waar zal blijken dat het specialiteitsbeginsel voortkomt uit de wens naar publiciteit.
Dat er een zekere samenhang tussen het bepaaldheidsvereiste en het specialiteitsbeginsel bestaat, is duidelijk.18 De verhouding van het bepaaldheidsvereiste tot het specialiteitsbeginsel kan op twee manieren worden gezien: 1) het bepaaldheidsvereiste vereist geen afzonderlijke aanduiding van goederen en het specialiteitsbeginsel, dat naast het bepaaldheidsvereiste staat en slechts voor registergoederen geldt, wel; of 2) het specialiteitsbeginsel is een nadere, ‘striktere’, invulling van het bepaaldheidsvereiste bij registergoederen. Welke van de twee opvattingen de juiste is, is niet erg van belang, zo lang men maar voor ogen houdt dat bij registergoederen het specialiteitsbeginsel een afzonderlijke omschrijving verlangt en dat voor andere goederen het bepaaldheidsvereiste geldt, dat dit niet verlangt.19
84. Dat in het Nederlandse recht in beginsel een algemene omschrijving van de betrokken goederen volstaat, wordt bevestigd door de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft nader invulling gegeven aan het bepaaldheidsvereiste in jurisprudentie over vorderingen op naam.20 Het gaat daarbij telkens om stille cessie of verpanding van vorderingen (art. 3:94 lid 3 en art. 3:239 BW). In het verleden bestond wel discussie of met een algemene omschrijving van de vorderingen aan het bepaaldheidsvereiste werd voldaan, of dat een hogere mate van bepaaldheid was vereist, bijvoorbeeld vanwege de vermeende beschermingsfunctie van het bepaaldheidsvereiste.21
Inmiddels heeft de Hoge Raad in de arresten SOBI/Hurks c.s.22 en Mulder q.q./Rabobank23 onomwonden beslist dat een dergelijke algemene clausule de te leveren of verpanden vorderingen in voldoende mate bepaalt in de zin van art. 3:84 lid 2 BW. In latere arresten is dit herhaald.24 De te cederen of te verpanden vorderingen moeten voldoende bepaald zijn door de akte, niet per se in de akte. De akte moet dus zodanige gegevens bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.25 Hierbij wordt de akte naar subjectieve maatstaven uitgelegd.26
De omschrijving dat alle vorderingen van een bepaalde (rechts)persoon worden verpand of overgedragen, voldoet daaraan. Daarmee zijn de te cederen of te verpanden vorderingen namelijk bepaald als alle vorderingen die de vervreemder op dat moment heeft. Aan de hand van administratie kan – eventueel achteraf – nagegaan worden welke vorderingen het betreft. Hetzelfde geldt ook voor de levering van andere goederen, zoals roerende zaken.27 Het bepaaldheidsvereiste is immers een algemeen vereiste dat geldt voor alle leveringen.
85. Het Duitse recht vertoont een vergelijkbaar beeld als het Nederlandse recht, al worden in het Duitse recht op sommige punten iets strengere eisen gesteld aan de omschrijving van de betrokken objecten. Bij het beschikken over onroerende zaken (Grundstücke) dient het object afzonderlijk te worden omschreven.28 Het Duitse recht kent geen vuistloos pandrecht, waardoor voor verpanding van roerende zaken telkens Übergabe (bezitsverschaffing)29 van de zaak vereist is.30 Omdat daardoor de betrokken zaken vanzelf al voldoende bepaald worden,31 speelt het bepaaldheidsvereiste vooral een rol bij de Sicherungsübereignung (zekerheidsoverdracht). Sicherungsübereignung vindt plaats door een levering cp (Besitzkonstitut) en kan gezien worden als alternatief voor wat in Nederland wordt bereikt met vuistloze verpanding. De levering cp komt tot stand doordat partijen een rechtsverhouding overeenkomen op grond waarvan de verkrijger het middellijke bezit verkrijgt. Dit kan bijvoorbeeld door huur, bruikleen of bewaarneming overeen te komen.32
Bij de Sicherungsübereignung is om te voldoen aan het bepaaldheidsvereiste nodig dat “infolge der Wahl einfacher, äußerer Abgrenzungskriterien für jeden, der die Parteiabreden in dem für den Eigentumsübergang vereinbarten Zeitpunkt kennt, ohne weiteres ersichtlich ist, welche individuell bestimmten Sachen übereignet worden sind“.33 Dit geldt voor zowel bestaande als toekomstige zaken.34 Het “ohne weiteres” uit het citaat houdt in dat op grond van enkel de omschrijving voor elke derde duidelijk moet zijn om welke zaken het gaat. De derde moet daarvoor geen andere informatiebronnen dan de omschrijving in de overeenkomst hoeven te raadplegen. Overdracht van een geheel van zaken kan dus plaatsvinden door een generieke omschrijving (een zogenaamde All-Formel), bijvoorbeeld als de zaken zich in één ruimte bevinden of gemarkeerd zijn.35 Ook wanneer in de overeenkomst expliciet verwezen wordt naar een inventarislijst, is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste.36 Moet daarentegen bijvoorbeeld administratie worden geraadpleegd37 of navraag worden gedaan38 om te bepalen welke zaken de beschikking betreft, dan is niet voldaan aan het bepaaldheidsvereiste.39 Dit wordt in de literatuur tot uitdrukking gebracht door te zeggen dat enkel bepaalbaarheid bij het beschikken over zaken niet voldoende is.40
Voor het beschikken over vorderingen volstaat bepaalbaarheid.41 Dat wil zeggen dat op het moment van de Einigung over de overdracht (Abtretung) van de vordering de rechtsverhouding waaruit de vordering zal ontstaan nog niet hoeft te bestaan. Ook hoeft de inhoud of de schuldenaar van de vordering nog niet vast te staan. Het hoeft slechts mogelijk te lijken dat de vordering zal ontstaan. Op het moment van ontstaan moet de vordering vervolgens te bepalen zijn. Daarbij mag gebruik gemaakt worden van buiten de overeenkomst gelegen informatie, zoals administratie.42
86. Het voorgaande laat zien dat het bepaaldheidsvereiste en het uniciteitsbeginsel enerzijds van elkaar onderscheiden dienen te worden, maar anderzijds met elkaar samenhangen. Het bepaaldheidsvereiste staat los van de vraag of een goederenrechtelijk recht op één of meerdere goederen rust. Het is immers denkbaar dat een stadsbibliotheek één eigendomsrecht op alle boeken heeft, maar dat bij overdracht daarvan wel gespecificeerd moet worden welke boeken dat eigendomsrecht precies omvat. Een rechtsstelsel waarin dat het geval zou zijn, hanteert wel het bepaaldheidsvereiste en vult dat in op een wijze waarbij een vrij hoge mate van bepaaldheid wordt vereist, maar hanteert niet het uniciteitsbeginsel.43 Andersom is het mogelijk dat de stadsbibliotheek evenzoveel eigendomsrechten als boeken heeft, maar dat een algemene omschrijving van de goederen bij overdracht volstaat. Een dergelijk stelsel springt soepel om met het bepaaldheidsvereiste, maar niet met het uniciteitsbeginsel.44
Het bestaan van één recht op meerdere goederen tezamen, wil dus nog niet zeggen dat zonder nadere specificatie in één handeling over die goederen kan worden beschikt. En omgekeerd wil het bestaan van evenzoveel rechten als objecten nog niet zeggen dat niet in één handeling over die goederen zou kunnen worden beschikt. In die zin moeten het bepaaldheidsvereiste en het unciteitsbeginsel van elkaar worden onderscheiden. Zowel de vereiste mate van bepaaldheid als de vereiste mate van uniciteit in een zeker rechtsstelsel is echter van invloed op de mogelijkheid van het in één handeling vervreemden of bezwaren van een groep objecten. In die zin houden het bepaaldheidsvereiste en het uniciteitsbeginsel verband met elkaar.
Een ruime invulling van het bepaaldheidsvereiste maakt het mogelijk dat, ondanks het uniciteitsbeginsel, met één handeling (in één akte) beschikt kan worden over alle goederen binnen een onderneming.45 Tenminste, voor zover de leveringsformaliteiten van de betrokken goederen dat toelaten. Concreet betekent dat het voor roerende zaken en vorderingen naar Nederlands en Duits recht mogelijk is daarover te beschikken door middel van een algemene omschrijving in een akte,46 maar worden daar voor registergoederen beperkingen aan gesteld; een afzonderlijke omschrijving daarvan is noodzakelijk.
87. Onder de genoemde algemene omschrijving kunnen ook toekomstige goederen worden begrepen. Levering of verpanding bij voorbaat daarvan is mogelijk naar Nederlands en Duits recht.47 De leverings- of vestigingshandeling wordt dan reeds voltrokken, waarbij geanticipeerd wordt op het beschikkingsbevoegd worden van de vervreemder. Op het moment van het beschikkingsbevoegd worden van de vervreemder komt dan de overdracht of vestiging tot stand. Wordt het goed na datum faillissement door de vervreemder verkregen, dan blokkeert het faillissement in beginsel de overdracht of bezwaring ervan (art. 23 en 35 lid 2 Fw, §91 Abs. 1 Insolvenzordnung).48
In het Nederlandse recht zijn enige beperkingen gesteld aan de levering en vestiging van beperkte rechten bij voorbaat. Zo kunnen registergoederen in het geheel niet bij voorbaat geleverd worden (art. 3:97 lid 1 BW) en bestaat daar een beperking voor wanneer het om vorderingsrechten gaat (art. 3:94 lid 3 en 3:239 lid 1 BW). Deze beperking bij vorderingsrechten is echter gemakkelijk te omzeilen, waardoor dit meer een praktische hindernis dan een daadwerkelijke beperking vormt.49 Ook naar Duits recht is het niet mogelijk om over toekomstige onroerende zaken (zaken die men verwacht in eigendom te verkrijgen) op enigerlei wijze (bijvoorbeeld bij voorbaat) te beschikken.50
88. In het Duitse recht doet zich nog de problematiek van de Übersicherung voor, die het Nederlandse recht onbekend is.51 Van Übersicherung is sprake wanneer de zekerheid de waarde van de gezekerde vordering(en) duidelijk overstijgt. In dat geval komt het zekerheidsrecht niet tot stand wegens strijd met de goede zeden, of, wanneer deze situatie pas later ontstaat, kan de zekerheidsnemer slechts een gedeelte van de zekerheid benutten.52 Dit is iets waarmee rekening gehouden moet worden, maar doet aan de hiervoor omschreven uitgangspunten bij overdracht en vestiging niet af.