Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/2.5.5
2.5.5 Roekeloosheid, grove schuld en dergelijke
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596133:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld van die laatste vorm vindt men in HR 5 september 2008, NJ 2008/480 (Telfort/Scaramea). Kantoorgenoten van mij stonden BT (rechtsopvolger van Telfort) bij.
Art. 7:952 BW.
Art. 6:107a lid 4 BW, 7:658 lid 2 BW en 7:661 lid 1 BW en diverse normen die in jurisprudentie zijn geformuleerd, zoals HR 12 december 1997, NJ 1998/208 (Gemeente Stein/Driessen) inzake exoneratie en HR 4 december 2009, NJ 2011/131 (Greenworld/NAI c.s) inzake aansprakelijkheid van de Staat voor onrechtmatige rechtspraak en aansprakelijkheid van arbiters.
Overmacht bij aansprakelijkheid op grond van art. 185 WVW, zie HR 31 mei 1991, NJ 1991/721 (De Backer/Van Uitregt).
Art. 7:509 lid 1 BW, 8:388 lid 5 BW, 8:906 lid 1BW en 8:1108 lid 1 BW.
Art. 5:54 lid 3 BW, 7:527 lid 2 BW en 7:529 lid 2 BW; art. 3 Loodsenwet (door Hoge Raad gelijkgesteld aan roekeloos en met de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien in HR 4 februari 2000, NJ 2000/429 (Solon)) en oud vervoersrecht; art. 476 en 819 WvK (door de Hoge Raad omschreven als ‘een in laakbaarheid aan opzet gelijk te stellen schuld’ in HR 12 maart 1954, NJ 1955/386 (Codam/Merwede)); HR 5 september 1997, NJ 1998/63 (Gerling/Hanno) inzake de toelaatbaarheid van een exoneratie.
Art. 2:297 BW.
HR 20 februari 1976, NJ 1976/486 (Pseudovogelpest, exoneratie); art. 75 lid 6 Wet bodembescherming, zie HR 25 oktober 2002, NJ 2004/211; HR 8 januari 1999, NJ 1999/318, (Pelco/Sturkenboom) en HR 18 februari 2000, NJ 2000/295 (New Holland Belgium/Oosterhof) inzake bestuurdersaansprakelijkheid.
HR 31 december 1993, NJ 1995/389 (Matatag/De Schelde), over een exoneratie voor ondergeschikten bij overeenkomst tussen professionele partijen.
HR 14 november 1997, NJ 1998/657 (Holvrieka/Brunink), over een exoneratie.
Haazen 2004a en 2004b.
Haak & Koot 2004.
Hartlief spreekt van een functionele uitleg van het begrip roekeloosheid; zie Hartlief 2005, p. 953.
50. Wet en rechtspraak kennen vele vormen van al dan niet bewuste roekeloosheid. De kennis die daarbij wordt verondersteld, staat bij sommige vormen (vrijwel) gelijk aan opzet of subjectieve kennis, terwijl andere vormen veel dichter tegen objectieve kennis aan liggen.1 De formuleringen die wet en jurisprudentie voor kennisgradaties in deze categorie hanteren, zijn wederom divers. Het betreft veelal een mate van verwijtbaarheid die een zekere kennis veronderstelt, zonder dat termen als ‘kennen’ of ‘weten’ uitdrukkelijk worden gebezigd: roekeloosheid,2 bewuste roekeloosheid (telkens in één adem genoemd met opzet),3 aan opzet grenzende roekeloosheid,4 roekeloos en met de wetenschap dat (de/die) schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien,5 grove nalatigheid/grove schuld,6 merkelijke schuld,7 ernstige twijfel,8 ernstige redenen om te vermoeden,9 ernstige verwijtbaarheid,10 ernstige fout11 en welbewuste misleiding.12
51. Onder meer Haazen13 en diverse auteurs in een bundel over bewuste roekeloosheid van Haak en Koot14 hebben erop gewezen dat in onderscheiden rechtsgebieden – vervoersrecht, arbeidsrecht, bestuurdersaansprakelijkheid, verzekeringsrecht – begrippen zoals de bovengenoemde telkens een eigen invulling krijgen, ook al wordt dezelfde term gebruikt.15