Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/2.3.2
2.3.2 Het uitgangspunt in andere regelingen
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS597592:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Voor de internationale richtlijnen: Joint Forum-richtlijnen 2005, Principe III, maar vooral het kopje “responsibility of firm’s management” op p. 13; en CEBS-richtlijnen 2006, guideline 2. In de IOSCO-richtlijnen 2005 wordt overigens slechts de verantwoordelijkheid jegens de toezichthouder benadrukt. Omdat de IOSCO-richtlijnen 2005 evenwel als aanvulling gelden op de Joint Forum-richtlijnen 2006,moet worden aangenomen dat het principe van behoud van de verantwoordelijkheid ook jegens de beleggers geldt, hetgeen ook in de lijn ligt van het eerdere IOSCO-document uit 2000.Voor de Europese richtlijnen: Overweging 12, Icbe 2-richtlijn; art. 13, lid 2, Icbe 4-richtlijn; paragraaf 1.2.2 onder de kopjes “delegatie” en “aansprakelijkheid” van de toelichting bij het richtlijnvoorstel Icbe 5; art. 20, lid 3 en art. 21, lid 13, AIFMD; art. 8 EUSEF-verordening; art. 8 EUVECAF-verordening; art. 14, lid 1, Uitvoeringsrichtlijn MiFID; art. 49, lid 1, Solvency II; en art. 18, lid 2, Richtlijn betaaldienstverleners.Voor de voormalige toezichthouderregels: Inleidende toelichting en toelichting op art. 59 Rob; Voorwaarde I, Bu; Uitgangspunt 1, Imu; en de algemene toelichting op de Ruv en het Bup.
Overweging 25 en art. 13 Pensioenrichtlijn.
Art. 34, lid 1, Pensioenwet; art. 3:18, lid 1, Wft, art. 4:16, lid 1, Wft en art. 5:31, lid 1, Wft.
Onder meer HvJEG 10 april 1983, C-14/83 (Von Colson en Kamann). Zie ook Asser/Hartkamp 3-I* 2011, nr. 181.
Bijv. Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 128-129 (voor de Pensioenwet), Kamerstukken II, 2004-2005, 29708, nr. 10, p. 245-246 en Kamerstukken II, 2005-2006, 29708, nr. 19, p. 506 (voor de Wft).
Toelichting op Bupw, Stb. 2006, 709, p. 51.
Dat de uitbestedingsregels een uitwerking zijn van de vereiste beheerste en integere bedrijfsvoering volgt voor pensioenfondsen uit art. 14, lid 2, Bupw. Zie ook de DNB Guidance: uitbesteding door pensioenfondsen 2014, p. 4 en 7. In gelijke zin: Silverentand & Van der Eerden 2014, p. 71.Voor financiële ondernemingen is dit niet geëxpliciteerd in de Wft of de daaronder vallende AMvB’s. DNB gaat daar wel vanuit, zo blijkt uit het Handboek FIRM, bijlage B, p. 18 en uit art. 1.2, lid 1, sub C, Beleidsregel geschiktheid, waar de deskundigheidseis inzake uitbesteding is geschaard onder de deskundigheidseis inzake een beheerste en integere bedrijfsvoering. In de jurisprudentie is dit ook aanvaard: Rb Rotterdam 4 augustus 2011, JOR 2012, 12, m.nt. Affourtit en PJ 2011, 125 m.nt. Kuiper (PME) en Rb Rotterdam 25 mei 2009, JOR 2009/231, m.nt. Grundmann-van de Krol onder JOR 2009/232 (Stichting Belangen Investeerders PG 201).
Schutte spreekt zelfs van “een open deur” (Schutte 2003).
Zie bijv. art. 35 EMIR. De uitbestedingsregeling in de Wwft is zelfs uitdrukkelijk gebaseerd op de uitbestedingsregeling in de Wft (Wetsvoorstel Wwft, Kamerstukken II, 2007-2008, 31238, nr. 3). Voor regelingen buiten de financiële sector, zie bijv. art. 16Aa, lid 2-4, Electriciteitswet 1998; art. 7a Gaswet; art. 8 Besluit aangewezen instanties Metrologiewet; art. 3, lid 4 en 5, Besluit luchtvaartuigen 2008; art. 16 en 21 Regeling uitvoering GMO groenten en fruit; art. 103c Uitvoeringsregeling Meststoffenwet; en voor uitbesteding door notarissen, zie art. 3, lid 2, Verordening beroeps- en gedragsregels 2011, waarover Hof Amsterdam 16 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2270 en Korteweg en Linneman 2015.
Dit uitgangspunt, dat de uitbesteder volledige verantwoordelijkheid moet blijven dragen en daarom maatregelen moet nemen om die verantwoordelijkheid na te kunnen komen, komt men ook in de andere uitbestedingsregelingen steeds weer tegen.1
Dit is implicieter bij de Pensioenrichtlijn. Daar wordt benadrukt dat de toezichthouder over voldoende toezichtsbevoegdheden moet beschikken om toe te zien op uitbestedingen die de financiële positie van het fonds beïnvloeden en om te controleren of uitbestede werkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig de toezichtsregels.2 Men mag hier niet uit opmaken dat het principe dat de uitbesteder verantwoordelijk blijft, niet ziet op verantwoordelijkheid jegens de begunstigden, maar enkel op verantwoordelijkheid jegens de toezichthouder. Een dergelijke uitleg zou wel zeer afwijken van de uitbestedingsregels in andere sectoren. Ze is bovendien onlogisch. De toezichtsbelangen van de toezichthouder zijn geen doel op zichzelf. Hij houdt toezicht met het oog op de belangen van de begunstigden van het pensioen. Ook het doel van de Pensioenrichtlijn en van het daarin voorgeschreven toezicht op pensioenfondsen ligt in de bescherming van de belangen van de begunstigden.
In de Nederlandse uitbestedingsregels, op grond van de Pensioenwet en de Wft, komt dit uitgangspunt niet bijzonder duidelijk naar voren. In de vorige paragraaf haalde ik al aan dat bij de invoering van de Pensioenwet en de Wft materiële normen zijn gestroomlijnd. Hoewel er sectoraal vele aanvullingen zijn, zijn er enkele algemene bepalingen geformuleerd die voor alle pensioenfondsen en financiële ondernemingen gelden. Het gaat om de voorschriften dat de uitbestedende partij er zorg voor draagt dat de dienstverlener de regels naleeft die bij of krachtens de Pensioenwet zijn gesteld en die op het pensioenfonds van toepassing zijn3 en dat een uitbesteding het toezicht niet mag belemmeren.4 Deze algemene bepalingen dwingen niet tot een uitleg conform het hierboven genoemde uitgangspunt. “Zorg dragen” en “niet belemmeren” zijn rekkelijke begrippen.
Echter, aan de voormalige toezichthouderregels lag het genoemde uitgangspunt ten grondslag zodat dit logischerwijs ook ten grondslag ligt aan de huidige wettelijke regeling. Deze Nederlandse uitbestedingsregels vormen bovendien de implementatie van de uitbestedingsbepalingen uit Europese richtlijnen. Het Unierecht dwingt tot een richtlijnconforme interpretatie5 zodat het Europeesrechtelijke uitgangspunt automatisch ook het Nederlandse moet zijn.
Ook uit de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat de wetgever deze interpretatie voor ogen stond. De wetgever heeft bij herhaling vooropgesteld dat een overtreding door de dienstverlener in de eerste plaats geldt als een overtreding van de uitbesteder, zodat de financiële toezichthouder aan de uitbesteder sancties kan opleggen voor de overtreding door zijn dienstverlener.6 Ook de verantwoordelijkheid jegens de begunstigde of de cliënt van de uitbestedende onderneming is benadrukt. Zo geeft de wetgever onder meer het voorbeeld van een pensioenfonds dat het uitbetalen van de pensioenuitkeringen heeft uitbesteed en de dienstverlener niet of te weinig uitbetaalt. De begunstigde moet het pensioenfonds te allen tijde kunnen aanspreken, aldus de wetgever.7
Om haar verantwoordelijkheden te kunnen nakomen, moet de uitbestedende onderneming de aan de uitbesteding verbonden risico’s beheersen. Hij moet voldoende waarborgen verkrijgen van de dienstverlener voor het handhaven van een beheerste en integere bedrijfsvoering8 of, zoals DNB het steevast formuleert: hij moet “in control” blijven over de uitbestede werkzaamheden. De uitbestedingsregels vormen dus een invulling van de eis dat een pensioenfonds of financiële onderneming over een beheerste en integere bedrijfsvoering beschikt.9
Een andere uitgangspunt is eigenlijk ook moeilijk voorstelbaar. Het geformuleerde uitgangspunt heeft een vanzelfsprekende logica.10 Ter bescherming van hun cliënten of begunstigden moeten ondernemingen in de financiële sector over een beheerste en integere bedrijfsvoering beschikken: ze moeten “in control” zijn. Wanneer de onderneming werkzaamheden uitbesteedt, besteedt het eigenlijk een stukje van haar bedrijfsvoering uit. Dat mag natuurlijk niet ten koste gaan van de belangen van de cliënten of begunstigden en dus ook niet ten koste van de “control” over de (uitbestede) werkzaamheden. Omdat de toezichthouder toeziet op de naleving van de regels, mag de uitbesteding ook niet ten koste gaan van zijn mogelijkheden om adequaat toezicht te houden. Het verwondert dan ook niet dat dit uitgangspunt ook in andere uitbestedingsregelingen, ook buiten de financiële sector, tot uitgangspunt is genomen.11