De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.9.3:4.9.3 Opschorting van stemrecht
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.9.3
4.9.3 Opschorting van stemrecht
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385298:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:228 lid 1 BW geeft de hoofdregel dat (slechts) aandeelhouders stemrecht hebben. De laatste volzin van het eerste lid van dat artikel bepaalt dat de statuten kunnen bepalen dat een aandeelhouder niet gerechtigd is tot uitoefening van het stemrecht zolang hij in gebreke is te voldoen aan een wettelijke of statutaire verplichting. Uitgangspunt is aldus dat de aandeelhouder stemrecht heeft. Indien hijzelf in gebreke is met enige wettelijke of statutaire verplichting is hij niet gerechtigd zijn stemrecht uit te oefenen. Met andere woorden: het stemrecht is in die situaties opgeschort.1 Er is sprake van een situatie die in de risicosfeer van de aandeelhouder ligt en voor zijn rekening komt. Anders dan bij bijvoorbeeld het stemrechtloze aandeel of het participatiebewijs, ligt het op de weg van de aandeelhouder wiens stemrecht is opgeschort die situatie op te heffen door alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. De aandeelhouder wiens stemrecht opgeschort is, beschouw ik niet als een kapitaalverschaffer zonder stemrecht. Die aandeelhouder beschikt in beginsel namelijk wel over stemrecht, doch het is aan hem te wijten dat hij zijn stemrecht (tijdelijk) niet kan uitoefenen. Hij houdt zich niet aan zijn verplichtingen. Bij het stemrechtloze aandeel of het participatiebewijs is sprake van een rechtsfiguur waarbij aan de houder van dat effect überhaupt geen stemrecht toekomt.
Art. 2:228 lid 1 BW is in feite de algemene opschortingsregel met betrekking tot het stemrecht. Onder het oude recht bestonden ten aanzien van aandelen in een BV twee bijzondere situaties van opschorting van stemrecht, namelijk in geval van (i) niet nakoming van een verplichting tot aanbieding of overdracht van aandelen (art. 2:195a lid 1 (oud) BW) of (ii) het niet voldoen aan een statutaire kwaliteitseis (art. 2:195b lid 1 (oud) BW). Bij invoering van de flex-BV zijn de art. 2:195a2 en 2:195b3 (oud) BW komen te vervallen en vervangen door art. 2:192 (lid 4) BW. Dat artikellid bepaalt onder meer dat de statuten kunnen bepalen dat zolang een aandeelhouder een statutaire verplichting niet nakomt of niet aan een statutaire eis voldoet, het stemrecht, het recht op uitkeringen of het vergaderrecht is opgeschort. Ook hiervoor geldt dat sprake is van een situatie die in de risicosfeer van de aandeelhouder ligt en voor zijn rekening komt, zodat die aandeelhouder niet als een kapitaalverschaffer zonder stemrecht te beschouwen is.
Over de duur van de opschorting bepaalt art. 2:228 lid 1 BW niet anders dan ‘zolang hij in gebreke is’. Niet alleen blijkt uit de wettekst dat sprake is van een tijdelijke maatregel; dat volgt ook uit de aard van het middel zelf. In de literatuur is een maximum van een jaar bepleit.4 Een ingebrekestelling voor het in leven roepen van de opschorting is niet vereist. De statuten kunnen zo geformuleerd zijn dat de opschorting van rechtswege geldt. Een mededeling door het bestuur van de vennootschap dat het stemrecht opgeschort is, is vanuit praktisch oogpunt gewenst.5
Volledigheidshalve noem ik voor de BV als gevallen waarin het stemrecht op aandelen niet kan worden uitgeoefend art. 2:183 lid 4 en 2:196a lid 1 BW. Art. 2:183 lid 4 BW bepaalt onder meer dat een aandeelhouder na de omzetting de aan een aandeel verbonden rechten niet kan uitoefenen, zolang hij niet in het aandeelhoudersregister is ingeschreven. Art. 2:196a lid 1 BW bepaalt onder meer dat de levering van een aandeel overeenkomstig art. 2:196 lid 1 BW mede van rechtswege tegenover de vennootschap werkt. Behoudens in het geval dat de vennootschap zelf bij de rechtshandeling partij is, kunnen de aan het aandeel verbonden rechten eerst worden uitgeoefend nadat zij de rechtshandeling heeft erkend of de akte aan haar is betekend overeenkomstig de bepalingen van art. 2:196b BW, dan wel deze heeft erkend door inschrijving in het aandeelhoudersregister als bedoeld in art. 2:196a lid 2 BW. Ook in art. 2:228 lid 6 BW geeft de wet een situatie waarin het stemrecht niet kan worden uitgeoefend. Dat artikellid bepaalt onder meer dat voor een aandeel dat toebehoort aan de vennootschap of aan een dochtermaatschappij daarvan in de algemene vergadering geen stem kan worden uitgebracht. Dat geldt ook voor een aandeel waarvan de vennootschap of aan een dochtermaatschappij de certificaten houdt.
Ook voor (al) deze gevallen geldt dat de aandeelhouder niet als kapitaalverschaffer zonder stemrecht te beschouwen is.