Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/321:321 Toepassing van de regeling voor verdeling en verhaal na executie?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/321
321 Toepassing van de regeling voor verdeling en verhaal na executie?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 16-03-2026
- Datum
16-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51541:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Janssen heeft ervoor gepleit art. 3:246 lid 5 BW zoveel mogelijk uit te leggen overeenkomstig het voor de verdeling van de opbrengst van een pandexecutie in art. 3:253 BW bepaalde.1 Denkbaar is ook een regeling die aansluit bij de regeling die geldt voor de verdeling van de opbrengst van de executie van verpande goederen (art. 3:253 BW jo. 490b Rv).
Deze mogelijkheden bieden geen afdoende oplossing. De regeling van art. 3:253 BW is namelijk bedoeld voor een situatie waarin de executerende pandhouder bevoegd is om zich uit het geïnde te voldoen en derhalve gericht op verdeling van de opbrengst tussen de pandhouder en de overige gerechtigden. Inning van een verpande vordering door de pandhouder kan echter ook plaatsvinden indien de pandhouder (nog) niet bevoegd is om zich uit het geïnde te voldoen. In dat geval verdient inning op een kwaliteitsrekening de voorkeur boven een op verdeling gerichte regeling als die van art. 3:253 BW (in voorkomend geval in verbinding met art. 490b Rv). Inning op een kwaliteitsrekening is relatief eenvoudig in vergelijking met een verplichting om het geïnde te storten bij een bewaarder, leidt tot vermogensscheiding zodra een vordering is geïnd en doet voldoende recht aan de belangen van de pandgever en de andere tot de opbrengst gerechtigden.
Voor de goede orde: is de innende pandhouder bevoegd zich uit het geïnde te voldoen omdat zijn door het pandrecht verzekerde vordering opeisbaar is maar zijn er anderen die op het geïnde aanspraak maken, dan dient (vervolgens) wel de weg van art. 490b Rv te worden gevolgd.2 Dat is logisch en wenselijk omdat die situatie niet verschilt van de situatie na executie van een verpande roerende zaak of vordering: er is een verpand goed te gelde gemaakt en de opbrengst dient verdeeld te worden overeenkomstig de aanspraken van de diverse belanghebbenden (pandhouders, beslagleggers, beperkt gerechtigden wier recht door de executie is vervallen en de pandgever).