Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.18.3.4
IV.18.3.4 Intrekking vanwege gewijzigde feiten (§ 49 lid 2 sub 3 VwVfG)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381347:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Detterbeck 2013, p. 240.
Zie onder meer Detterbeck 2013, p. 240, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 45.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG, Rn. 45, Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG, Rn. 46, Ehlers/Schröder 2010 (1), p. 510 met een verwijzing naar BVerwGE 16 juli 1982, DVBl 1982/1004.
Detterbeck 2013, p. 240.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 46, Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 49. Vgl. wat betreft een gewijzigde bestuurspraktijk BVerwGE 11 december 1990, NVwZ 1991/577.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 47.
Vgl. § 49 lid 2 onder nr. 3 slot VwVfG.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 48, Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 51, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 70, Ehlers/Schröder 2010 (1), p. 510. Zie voorts BVerwGE 1 februari 2005, zaaknr. 6 B 66.04.
Op grond van § 49 lid 2 onder 3 VwVfG kan een beschikking worden ingetrokken indien het bestuursorgaan vanwege naderhand gewijzigde feiten bevoegd zou zijn geweest om de beschikking niet te geven, en indien zonder intrekking het algemeen belang in gevaar zou worden gebracht. In de eerste plaats moet sprake zijn van gewijzigde feiten. Het moet gaan om feiten die zijn ingetreden nadat de beschikking is gegeven.1 Indien de feiten op het moment van verlening ook bestonden, en is daarmee geen rekening gehouden, dan kan intrekking op grond van voornoemde bepaling niet plaatsvinden.2 Wetenschappelijke inzichten, die leiden tot een andere beoordeling van reeds bij verlening van de beschikking bekende feiten, leveren wel nieuwe feiten in de zin van voornoemde bepaling op.3 Een wijziging van feiten kan ook inhouden een gedragsverandering van de begunstigde.4 Geen gewijzigde feiten zijn onder meer een wijziging van de vaste bestuurspraktijk, gewijzigde beleidsregels en een gewijzigde begrotingssituatie.5
Vereist is in de tweede plaats dat indien de feiten bij verlening van de beschikking bekend zouden zijn geweest, het bestuursorgaan bevoegd was geweest de beschikking niet te geven. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien ten gevolge van de gewijzigde feiten niet meer wordt voldaan aan voorwaarden om in aanmerking te komen voor de beschikking. Ook kan het gaan om feiten die voor de belangenafweging relevant zijn, in die zin dat de belangenafweging een andere uitkomst zou hebben gehad.6
Ten derde is van belang dat pas tot intrekking mag worden overgegaan wanneer het algemeen belang dat vereist.7 De intrekking moet dienen ter afweer van gevaar voor het algemeen belang, bijvoorbeeld ter voorkoming van schade voor de volksgezondheid.8