Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.3
3.3 De aard van de prejudiciële procedure
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS415780:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is niet per definitie de hoogste rechter in de lidstaat. Per zaak moet worden beoordeeld welke rechterlijke instantie de hoogste instantie is, doordat tegen de beslissing van die instantie geen beroep openstaat. Zie C. Barnard en S. Peers (eds.), European Union Law, Oxford: Oxford University Press 2014, blz. 290. Zie hierover kritisch: P.J. Wattel, Köbler, Cilfit and Welthgrove, ‘We can’t go on meeting like this’, Common Market Law Review 2004/41.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 11 maart 1980, nr. 104/79, Jur. 1980, blz. 745 (Foglia Novello I), HvJ EG 16 december 1981, nr. 244/80, Jur. 1981, blz. 3045 (Foglia Novello 2) en HvJ EG 10 december 2002, nr. C-153/00, ECLI:NL:XX:2002:AI1719 (der Weduwe).
Zie bijvoorbeeld de vragen van de Hoge Raad in HvJ EU 30 mei 2013, nr. C-651/11, BNB 2014/113 (X bv) gesteld naar aanleiding van HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/08, BNB 2010/251 (AB SKF), die uitgebreid aan de orde komen in hoofdstuk 6. Een ander duidelijk voorbeeld zijn de vragen in HvJ EU 17 januari 2013, nr. C-543/11, BNB 2013/85 (Gemeente Maasdriel) die zijn gesteld naar aanleiding van het arrest HvJ 19 november 2009, nr. C-461/08, BNB 2011/14 (Don Bosco).
Zie bijvoorbeeld de houdster-jurisprudentie in de btw. Tot het stellen prejudiciële vragen in 1994 met betrekking tot Polysar was kennelijk geen behoefte aan verheldering. Daarna volgde in hoog tempo een aanzienlijke reeks arresten. Niet kan worden vastgesteld dat de positie van de houdstermaatschappij in de btw inmiddels vastomlijnd is. Zie HvJ EG 20 juni 1991, nr. C-60/90, FED 1991/633 (Polysar), HvJ EG 6 april 1995, nr. C-4/94, V-N 1995, blz. 3030 (BLP), HvJ EG 20 juni 1996, nr. C-155/94, V-N 1997, blz. 1034 (Wellcome Trust), HvJ EG 11 juli 1996, nr. C-306/94, BNB 1997/38 (Régie Dauphinoise), HvJ EG 6 februari 1997, nr. C-80/95, BNB 1997/386 (Harnas & Helm), HvJ EG 14 november 2000, nr. C-142/99, FED 2001/179 (Floridienne/Berginvest), HvJ EG 12 juli 2001, nr. C-102/00, BNB 2002/182 (Welthgrove), HvJ EG 27 september 2001, nr. C-16/00, FED 2002/31 (Cibo), HvJ EG 26 juni 2003, nr. C-442/01, FED 2003/552 (KapHag), HvJ EG 29 april 2004, nr. C-07/01, BNB 2004/285 (EDM), HvJ EG 26 mei 2005, nr. C-465/03, BNB 2005/313 (Kretztechnik), HvJ EG 29 oktober 2009, nr. C-29/ 08, BNB 2010/251 (AB SKF) en HvJ EU 16 juli 2015, nr. C-108/14, C-109/14, V-N 2015/44.18 (Larentia en Minerva/Marenave).
Zie bijvoorbeeld de beantwoording van de vragen in HvJ EU 6 september 2012, nr. C-496/11, V-N 2012/51.21 (Portugal Telecom).
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 11 september 2014, nr. C-219/13, V-N 2014/47.19 (K Oy). Zie ook K. Lenaerts, ‘The Court’s Outer and Inner Selves: Exploring the External and Internal Legitimacy of the European Court of Justice’, in: M. Adams, H. de Waele, J. Meussen en G. Straetmans (red.), Judging the Judges, Oregon: Oxford and Portland 2013, blz. 42.
Zie ook H.C.F.J.A. de Waele, ‘Rechtspleging door het Europese Hof van Justitie: activistisch, kwaliteitsvol, methodisch zuiver, problematisch?’, SEW 2013/11.
Zie ook S. Weatherill, ‘The Court’s Case Law on the Internal Market: “A Circumloquacious Statement of the Result, Rather than a Reason for Arriving at It”?’, in: M. Adams, H. de Waele, J. Meussen en G. Straetmans (red.), Judging the Judges, Oregon: Oxford and Portland 2013, blz. 87 e.v. Zie ook de harde kritiek van Roman Herzog en Lüder Gerken, EUObserver.com van 10 september 2008, Stop the European Court of Justice, http://euobserver.com/7/26714 (geraadpleegd op 24 december 2014).
Op basis van artikel 267 VWEU is het Hof van Justitie bevoegd om bij prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitleg van Verdragen over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. In het geval een rechter de uitleg van Unierecht noodzakelijk acht voor een bij die rechterlijke instantie aanhangig geschil, dan bestaat de mogelijkheid om de behandeling van het geschil te schorsen en prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Indien een dergelijke situatie zich voordoet bij een rechterlijke instantie tegen wiens uitspraak geen beroep meer openstaat, dan is deze instantie het voorleggen van vragen aan het Hof van Justitie verplicht.1 Prejudiciële vragen dienen betrekking te hebben op een reëel (niet hypothetisch of academisch) geschil.2 Door deze prejudiciële procedure heeft het Hof van Justitie een unieke taak. De beschreven procedure leidt ertoe dat het belang van de uitspraken van het Hof van Justitie voor de reikwijdte van normen in het Unierecht moeilijk kan worden overschat. Immers, het Hof van Justitie bepaalt wat die reikwijdte is in de beantwoording van de vragen van de nationale rechters. Daarin schuilt evenwel ook een beperking in het functioneren van het Hof van Justitie. Het is afhankelijk van de vragen die worden voorgelegd en daarmee van de feitelijke geschillen die in lidstaten ontstaan.
Doordat de vragen van de verwijzende rechter steeds betrekking dienen te hebben op een specifiek geval, kan niet om algemene opheldering worden verzocht. Het Hof van Justitie beperkt zich dan ook in vrijwel alle gevallen tot het beantwoorden van de specifieke vragen in concreto die door de verwijzende rechter worden voorgelegd. Deze werkwijze leidt in veel gevallen tot vragen over de reikwijdte of uitstraling van een antwoord. Het is dan ook geen toeval dat in veel gevallen prejudiciële vragen met betrekking tot een bepaald onderwerp leiden tot nieuwe vragen over dat onderwerp.3 Met enige ironie zou kunnen worden vastgesteld dat de rechtspraak van het Hof van Justitie in dergelijke gevallen contraproductief is.4
Het is echter van belang vast te stellen dat de nieuwe vragen of onduidelijkheden die in voorkomend geval voortvloeien uit een uitspraak van het Hof van Justitie niet voortkomen uit het specifieke karakter van die vragen. De gestelde vraag moet immers specifiek zijn om voor prejudiciële behandeling in aanmerking te komen. Maar zelfs al zou het zijn toegestaan, moeilijk kan worden verwacht van het Hof van Justitie dat het naast de beantwoording van de specifieke vraag nog een aantal hypothetische vragen beantwoordt teneinde een meer academisch juridisch beeld te schetsen van de werking van het Unierecht. Dit past niet in de collegiale samenwerking met de nationale rechter en zal bovendien nauwelijks behulpzaam zijn, aangezien ook die antwoorden nieuwe vragen kunnen (en zullen) oproepen. Daarnaast is het oplossen van problemen die nog niet bestaan voorbehouden aan de wet- of richtlijngever en niet aan de rechter. Ergens moet de grens getrokken worden.
Overigens moet er in dit verband op worden gewezen dat de beantwoording van het Hof van Justitie in belangrijke mate afhangt van de vraag die wordt gesteld en het feitencomplex dat aan het Hof van Justitie wordt voorgelegd. Op een heel specifieke vraag in heel specifieke feitelijke omstandigheden kan een heel specifiek antwoord worden verwacht, terwijl meer algemeen geformuleerde vragen en omstandigheden tot een meer algemeen antwoord zullen leiden.5 Steeds vaker bovendien schetst het Hof van Justitie het juridisch kader waarin de nationale rechter zijn antwoord kan vinden zonder over het specifiek voorliggende probleem een antwoord te formuleren.6 In die gevallen opereert het Hof van Justitie meer als constitutioneel hof.
Ingezien moet worden dat nieuwe vragen of onduidelijkheden niet zozeer worden opgeroepen doordat het Hof van Justitie zich in zijn antwoord beperkt tot de specifieke vraag die is voorgelegd, maar door de weg die naar dat antwoord leidt. Het is de juridische redenering die het antwoord draagt en daarmee al dan niet de basis vormt voor een antwoord op andere, omliggende vragen. Het is dan ook de totstandkoming en de kwaliteit van de juridische redenering die bepalend is voor de interne legitimatie.7 Veel kritiek op het Hof van Justitie richt zich dan ook op de soundness of its legal reasoning.8