Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.7.3.4
II.7.3.4 Overig
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377655:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover De Moor-van Vugt 2012, p. 16 e.v. Zij verwijst onder meer naar het arrest Käserei Champignon Hofmeister (HvJ EG 11 juli 2002, AB 2002/392 m.nt. De Moor-van Vugt), waarin het HvJ EG toepassing van genoemd beginsel uitsluit omdat in casu geen sprake is van een bestraffende sanctie.
Vgl. artikel 14 lid 2 IVBPR.
EHRM 10 februari 1995, zaaknr. 15175/89 (Allenet de Ribemont t. Frankrijk) en EHRM 10 oktober 2000, zaaknr. 42095/98 (Daktaras t. Litouwen).
EHRM 10 oktober 2000, zaaknr. 42095/98 (Daktaras t. Litouwen). Vgl. ook EHRM 10 februari 1995, zaaknr. 15175/89 (Allenet de Ribemont t. Frankrijk): ‘The presumption of innocence will be violated if, without the accused’s having previously been proved guilty according to law, a judicial decision concerning him reflects an opinion that he is guilty.’
EHRM 10 oktober 2000, zaaknr. 42095/98 (Daktaras t. Litouwen) § 41.
EHRM 6 december 1988, zaaknr. 10590/83 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), ABRvS 15 april 1999, JB 1999/150 m.nt. Albers en RAwb 1999/146 m.nt. O. Jansen, CRvB 31 december 2007, USZ 2008/66 m.nt. Stijnen, CRvB 7 juli 2010, AB 2010/235 m.nt. Stijnen, CBb 18 november 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BO5193 en ABRvS 24 november 2010 ECLI:NL:RVS:2010:BO4887. Betreft het een bestraffende sanctie, dan worden ook strengere eisen gesteld aan het bewijs. Zie onder meer ABRvS 15 februari 2001, AB 2001/194 m.nt. Schueler en JB 2001/88 m.nt. Albers, ABRvS 7 augustus 2002, AB 2003/176 m.nt. O. Jansen en JB 2002/279, m.nt. Geers, ABRvS 6 januari 2010, JB 2010/48, ABRvS 6 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ0303, ABRvS 18 april 2012, AB 2012/179 m.nt. Jansen en CRvB 30 juli 2014, AB 2014/363 m.nt. Stijnen. Zie voorts: Schuurmans 2005, p. 90 en 95 e.v.
Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 117.
EHRM 7 oktober 1988, NJCM-Bulletin 1989, p. 495 e.v. m.nt. Spronken en NJ 1991/351 m.nt. Alkema (Salabiaku t. Frankrijk).
Zie ook EHRM 25 september 1992, NJ 1995/593 m.nt. Alkema (Pham Hoang t. Frankrijk).
In het IVBPR is het nemo tenetur-beginsel wel uitdrukkelijk geregeld en wel in artikel 14 lid 3 aanhef en onder g. Zie hierover Rogier 1994, p. 881-882.
EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699 m.nt. Knigge (Saunders t. Verenigd Koninkrijk).
Het beginsel is onder meer neergelegd in artikel 5:10a lid 1 Awb.
EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699 m.nt. Knigge.
EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699 m.nt. Knigge (Saunders t. Verenigd Koninkrijk) § 67: ‘In this respect the Court recalls its judgement in Fayed v. the United Kingdom where it held that the functions performed by the Inspectors under section 432 (2) of the Companies Act 1985 were essentially investigative in nature and that they did not adjudicate either in form or in substance. Their purpose was to ascertain and record facts which might subsequently be used as the basis for action by other competent authorities – prosecuting, regulatory, disciplinary or even legislative […].’ Zie ook EHRM 21 september 1990, zaaknr. 17101/90 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk), § 61.
Vgl. artikel 5:10a lid 1 Awb, waarin is bepaald dat iemand niet verplicht kan worden verklaringen af te leggen ten behoeve van een aan hem op te leggen bestraffende sanctie.
Dat blijkt nog niet altijd eenvoudig. Wanneer wordt immers informatie gevraagd louter voor wetstoepassing en wanneer met het oog op handhaving? Zie Michiels en De Waard 2007, p. 51.
Zie hierover meer uitgebreid: Blomberg 2001.
Zie hierover onder meer EHRM 10 februari 2009, AB 2009/309 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, NJCM-Bulletin 2009, p. 373 e.v. m.nt. Van Bockel en NJ 2010/36 m.nt. Buruma (Zolotukhin t. Rusland). Het beginsel van ne bis in idem is ook neergelegd in artikel 14 lid 7 IVBPR. Nederland heeft ten aanzien van dit artikel echter een voorbehoud gemaakt, hetgeen inhoudt dat artikel 14 lid 7 IVBPR geen verderstrekkende bescherming biedt dan artikel 68 WvSr
HR 3 maart 2015, JB 2015/50 m.nt. De Kam en AB 2015/159 m.nt. Stijnen en ABRvS 4 maart 2015, JB 2015/57 m.nt. Bots en AB 2015/160 m.nt. Stijnen.
De onschuldpresumptie is neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM en art. 48 lid 1 Handvest1 en komt er kort gezegd op neer dat iemand onschuldig is tot het moment dat zijn of haar schuld in rechte is komen vast te staan.2 Het EHRM heeft bepaald dat de onschuldpresumptie één van de elementen is van het recht op een fair trial, neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM.3 Volgens het EHRM is gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie:
‘if a statement of a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved so according to law’.4
Voldoende is dat ‘even in the absence of any formal finding, […] there is some reasoning to suggest that the official regards the accused as guilty’.5 Het bestuursorgaan moet dus bewijzen dat een overtreding is begaan.6 Een complicatie vormen de zogenaamde rechtsvermoedens, waarbij uit bepaalde feiten of omstandigheden wordt afgeleid dat een bepaalde overtreding is begaan, of dat een bepaalde persoon als overtreder moet worden aangemerkt.7 Het EHRM is van mening dat van dergelijke rechtsvermoedens gebruik mag worden gemaakt.8 Belangrijk is wel dat de verdachte tegenbewijs kan leveren teneinde de rechtsvermoedens te weerleggen.9
Nauw verwant met het vermoeden van onschuld is het nemo tenetur-beginsel. Hoewel dit beginsel niet expliciet is neergelegd in artikel 6 EVRM,10 wordt het, evenals de onschuldpresumptie, geacht deel uit te maken van het recht op een ‘fair trial’ als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 EVRM.11 Op grond van het nemo tenetur-beginsel is een verdachte niet verplicht is bewijs tegen zichzelf te leveren.12 In het arrest Saunders t. Verenigd Koninkrijk13 heeft het EHRM geoordeeld dat het nemo tenetur-beginsel zich niet uitstrekt tot materiaal dat onder dwang van de verdachte wordt verkregen, maar onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat. Gedacht kan worden aan bepaalde in beslag genomen geschriften en monsters van ademlucht, bloed en urine. Voorts werd overwogen dat het nemo tenetur-beginsel en het zwijgrecht niet gelden ingeval sprake is van gegevensverzameling in het kader van toezicht op de naleving.14 Het zwijgrecht is dus beperkt tot de situatie waarin gegevens worden verzameld in het kader van het opleggen van een bestraffende sanctie.15 Pas dan kan immers worden gesproken van een charge in de zin van artikel 6 EVRM.16
Het onderscheid tussen herstel- en bestraffende sancties is voorts van belang wat betreft de mogelijkheid van cumulatie.17 Op grond van het beginsel van ne bis in idem mag iemand niet tweemaal worden gestraft voor hetzelfde feit. Dit beginsel is onder meer neergelegd in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM en art. 50 van het Handvest.18 Het beginsel van ne bis in idem is ook neergelegd in artikel 14 lid 7 IVBPR. Ook kent de Awb enige bepalingen hieromtrent in de regeling van de bestuurlijke boete, te weten de artikelen 5:43 en 5:44 van die wet. In het kader van de intrekking van beschikkingen zijn deze artikelen echter niet van belang. Recent kwamen de hier genoemde beginselen aan bod in de rechtspraak omtrent het alcoholslotprogramma. Een verdachte stond terecht voor rijden onder invloed. Voorafgaand aan de strafprocedure was aan hem door het CBR reeds het alcoholslotprogramma opgelegd. Nu het alcoholslotprogramma volgens de Hoge Raad gekwalificeerd moest worden als een criminal charge, was het niet toegestaan om daarnaast over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Het OM werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.19