Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.6.4
11.6.4 Bestuurder houdt handelen verborgen: Huisman q.q./Hoskens
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593845:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 mei 2012, JOR 2012/349.
De curator verwoordde het iets minder nauwkeurig. Hij stelde dat de verjaringstermijn gaat lopen “op het moment dat de curator kennis neemt van een mogelijke vordering”.
Hof Leeuwarden 27 januari 2009, JOR 2009/101 (Havestaete/Alfa), r.o. 10. Een vergelijkbaar oordeel ligt besloten in Hof Arnhem 11 oktober 2005, JOR 2005/294 (Bruil-Kombex), r.o. 4.11; de Hoge Raad heeft het daartegen gerichte cassatiemiddel niet behandeld; zie HR 29 juni 2007, NJ 2007/420. Zie ook Rb Breda 8 juli 2009, NJF 2009/376 (!Go), r.o. 3.5, waarin werd geoordeeld dat een vennootschap pas kennis kreeg van de door de bestuurder gepleegde fraude toen de voorzitter van de rvc daarmee bekend was geworden.
HR 31 oktober 2003, NJ 2006/112 (Saelman/VU). Het Hof Leeuwarden verwijst naar HR 26 november 2004, NJ 2006/115 (Bosman).
Uit het arrest zoals dat is gepubliceerd (in RvdW 2012/693 is ook het cassatiemiddel gepubliceerd), is overigens niet af te leiden dat de curator uitdrukkelijk een beroep op die jurisprudentie heeft gedaan.
HR 4 mei 2012, JOR 2012/349, r.o. 3.4.3.
De Rechtbank Midden-Nederland leidt in de Landis-zaak eveneens uit Huisman q.q./Hoskens af dat de kennis van de bestuurder wordt toegerekend aan de rechtspersoon; Rechtbank Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237, r.o. 5.10.
550. De verlengingsregeling veronderstelt dat de verjaringstermijn gaat lopen zodra de bestuurder kennis krijgt van de schade en de aansprakelijke persoon, ook als hij zelf die aansprakelijke persoon is. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in Huisman q.q./Hoskens.1 In die zaak was curator Huisman bijna vijf jaar na de faillietverklaring een procedure begonnen tegen bestuurder Hoskens in verband met schade die Hoskens meer dan tien jaar voor de faillietverklaring aan de vennootschap zou hebben toegebracht. De curator stelde dat de verjaringstermijn pas was gestart op het moment dat hij zelf bekend raakte met de vordering van de rechtspersoon op de bestuurder.2 Dat standpunt kwam in zekere zin overeen met een oordeel van het Hof Leeuwarden uit 2009 in een andere zaak.3 Daarin had het hof geoordeeld dat de vennootschap, ondanks de wetenschap van haar bestuurder, niet werkelijk in staat was een vordering in te stellen, nu de bestuurder bij dat laatste geen belang had. Het hof verwees daarbij naar de jurisprudentie van de Hoge Raad sinds Saelman/VU, waaruit volgt dat de verjaringstermijn voor een rechtsvordering tot schadevergoeding pas gaat lopen wanneer de gelaedeerde daadwerkelijk in staat is tot het instellen van een rechtsvordering.4 Deze jurisprudentie kon curator Huisman echter niet baten.5 Het Hof Arnhem oordeelde in de zaak tegen Hoskens dat de vennootschap uiterlijk acht jaar voor de faillietverklaring kennis had gekregen van de relevante feiten en dat de rechtsvordering daarom verjaard was. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand, overwegende:
“Het hof hoefde zich van zijn oordeel […] niet te laten weerhouden door de positie van Hoskens als bestuurder van CFT, nu art. 3:321 lid 1, aanhef en onder d, in verbinding met art. 3:320 BW voor deze omstandigheid een regeling geeft die toepasselijkheid van de in het algemeen geldende verjaringsregels veronderstelt.”6
De “in het algemeen geldende verjaringsregels” houden volgens de Hoge Raad in, zo leid ik uit bovenstaand citaat af, dat de verjaringstermijn in elk geval gaat lopen op het moment dat de bestuurder van de vennootschap bekend wordt met de schade en de aansprakelijke persoon.7 Het probleem dat de bestuurder niet namens de vennootschap een vordering tegen zichzelf zal instellen, wordt in deze redenering – bij uitsluiting –ondervangen door de verlengingsregeling van art. 3:321 lid 1 sub d jo 320 BW.