Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.15.1
5.15.1 Inleiding
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS599905:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook DNB Themaonderzoek uitbesteding vermogensbeheer 2013, p. 6. Daarin wordt overigens enkel ingegaan op het belang van toezicht op de beleggingen. Ik meen dat ook toezicht op de bedrijfsvoering van de dienstverlener van belang is. Het zijn immers diens processen die bepalend zijn voor de wijze waarop de beleggingsportefeuille wordt samengesteld. Zo stelt de prudent person-regel juist ook eisen aan de besluitvorming ten aanzien van beleggingsbeslissingen (Maatman 2004a, p. 235). Dat verandert niet wanneer het nemen van beleggingsbeslissingen wordt verlegd naar een dienstverlener.
Zie ook Commissie Frijns 2010, p. 44-45.
Opdrachtnemers zijn verplicht om verantwoording af te leggen op grond van art. 7:403 BW. Deze bepaling is echter weer van regelend recht. Het laat bovendien de mate van detaillering van de verantwoording in het midden.
Commissie Frijns 2010, p. 45.
Een pensioenfonds kan nooit “in control” zijn over zijn bedrijfsprocessen, als het daarop geen toezicht houdt.1 Een probleem bij uitbesteding is dat het toezicht op die werkzaamheden wordt bemoeilijkt doordat zij niet langer in de eigen organisatie worden verricht. Het toezicht is indirect geworden. Dit creëert een informatie-asymmetrie.2 De te controleren dienstverlener beschikt over meer en betere informatie over de uitvoering van de werkzaamheden dan de toezichthoudende opdrachtgever. Het pensioenfonds is hierdoor ten dele afhankelijk van zijn dienstverlener. Om die afhankelijkheid te beperken wordt gewoonlijk bedongen dat a) de dienstverlener verantwoording aflegt,3 b) het fonds een onderzoek ter plaatse kan (laten) uitvoeren en c) de dienstverlener zich periodiek door een onafhankelijke derde laat certificeren.
Het getuigt niet van een beheerste bedrijfsvoering wanneer het pensioenfonds bij problemen in de uitvoering, slechts geïnformeerd toeziet. Het toezicht is pas volledig als het pensioenfonds zijn dienstverlener aanwijzingen kan geven over de uitvoering van de werkzaamheden.
De kwaliteit van het toezicht, en daarmee van de “control” van het pensioenfonds, staat of valt met de binnen het pensioenfonds aanwezige deskundigheid. Bij een ontoereikende deskundigheid kan het fonds geen adequaat toezicht houden op of bruikbare aanwijzingen geven aan zijn dienstverlener. Een probleem hierbij is dat, juist als gevolg van uitbesteding, de deskundigheid binnen pensioenfondsen over de operationele uitvoering is afgenomen.4