Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.4.2.1
3.4.2.1 Ratio decidendi
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS412081:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uiteraard is in beide situaties sprake van interpretatie in de zin van het begrip interpretatie dat ik heb besproken in hoofdstuk 2.
Met principe bedoel ik in dit verband een uitgangspunt van rechtvaardigheid of moraliteit. Dit betekent niet dat elk principe een objectieve, morele waarheid vertegenwoordigt. In de rechtspraak van het Hof van Justitie is het uitgangspunt dat een beginnende belastingplichtige zoveel mogelijk van btw-lasten moet worden ontdaan een principe.
Ratio decidendi wil zeggen, de bepalende gedachte achter de beslissing. Zie ook T. Koopmans, ‘Stare Decisis in European Law’, in: D. O’Keeffe en H.G. Schermers (red.) Essays in European law and integration, Deventer: Kluwer 1982, blz. 22. Koopmans verwijst naar de definitie van Rupert Cross: “the ratio decidendi of a case is ‘any rule of law expressly or impliedly treated by the judge as a necessary step in reaching his conclusion, having regard to the line of reasoning adopted by him.’”
Zie ook R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press1977, blz. 115.
Zie voor een mooi voorbeeld HvJ EU 3 maart 2005, nr. C-32/03, V-N 2005/15.8, r.o. 20 e.v. (I/S Fini H). Het Hof van Justitie verwijst naar een aantal arresten met betrekking tot aftrek van voorbelasting en beginnende ondernemers, verwijst vervolgens naar het arrest HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-408/98 V-N 2001/15.26 (Abbey National I) en vervolgt in rechtsoverweging 24 met: “Diezelfde overwegingen gebieden dat …”. De eerdere rechtspraak leidt tot een onvermijdelijk resultaat in een nieuw feitencomplex. Daarbij zij bovendien opgemerkt dat de zaak I/S Fini H geen betrekking had op een beginnende belastingplichtige, maar op één die zijn activiteiten had beëindigd.
R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press1977, spreekt over de ‘gravitational force of precedent’, blz. 111. T. Koopmans, ‘Stare Decisis in European Law’, in: D. O’Keeffe en H.G. Schermers (red.) Essays in European law and integration, Deventer: Kluwer 1982, blz. 20 spreekt van de ‘persuasive authority’.
Wat maakt nu dat de zaak Ghent Coal in de reeks Rompelman en INZO wordt gevoegd? Voor het antwoord op deze vraag is van belang vast te stellen dat het inroepen van precedenten methodologisch niet op dezelfde wijze gebeurt als de interpretatie van een (Unierechtelijk) begrip of, meer algemeen, een geschreven rechtsregel. In beginsel zal het Hof van Justitie een uitgangspunt dat door hem zelf is geformuleerd in een eerdere zaak niet grammaticaal, teleologisch of anderszins interpreteren teneinde te achterhalen of dezelfde regel kan worden toegepast in de voorliggende zaak.1 Doorgaans is het zo dat aan de beslissing in een voorgaande zaak een principe ten grondslag ligt als gevolg waarvan de rechtvaardigheid vereist dat hetzelfde principe wordt toegepast in volgende zaken.2 Zo vertonen de feitelijke omstandigheden in de zaak INZO weinig overeenkomst met de feitelijke omstandigheden in de zaak Rompelman. De beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak Rompelman lijkt in eerste instantie dan ook geen aanknopingspunten te bieden voor de zaak INZO, zeker wanneer men het hiervoor geciteerde dictum in de zaak Rompelman zou beschouwen als een regel die wel of geen toepassing vindt.
Desalniettemin wekt het weinig verbazing dat wanneer de zaak Rompelman wordt beslist op basis van het principe dat een startende ondernemer vanaf zijn eerste oprichtingshandelingen moet worden ontlast van de aan hem in rekening gebrachte btw, ditzelfde principe leidend moet zijn in de zaak INZO. Dit principe is de ratio decidendi van het Rompelman-arrest.3 Die ratio ligt ten grondslag aan het dictum. Om deze ratio in te roepen in de zaak INZO is geen verdere interpretatie van een rechtsregel door het Hof van Justitie vereist. Het bepaalt slechts of de rechtvaardigheid vereist dat hetzelfde principe geldt.4 Het feit dat een principe in een eerdere zaak tot een bevredigende oplossing heeft geleid, is op zichzelf voldoende om vergelijkbare zaken aan de hand van datzelfde principe te beslechten.5 Dat principe staat los van de feitelijke omstandigheden in Rompelman, INZO of Ghent Coal of de formulering van de dicta in deze zaken. De aantrekkelijke eerlijkheid van het langs principiële lijnen gelijk beslechten van vergelijkbare gevallen, vormt de aantrekkingskracht van het precedent.6