Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.2.2
1.2.2 Amercentrale-arrest
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489125:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
De voorganger van het huidige art. 6:174 BW. Echter het artikel in het Oud BW bepaalde dat de eigenaar van een gebouw aansprakelijk was voor schade van derden, ontstaan door gehele of gedeeltelijke instorting van het gebouw.
Ook hier kan gewezen worden op de eerdergenoemde onzekerheid over wat een gebouw is en dat een nadere duiding van het begrip wenselijk is. In het tweede hoofdstuk zal ingegaan worden op de vraag of de olietank in het licht van de huidige jurisprudentie, te weten het Woonarkarrest, thans nog als onroerende zaak aangemerkt zou worden.
Partijen waren het erover eens dat sprake was van gehele of gedeeltelijke instorting, maar verschilden over de vraag of de tank een gebouw was in de zin van art. 1405 BW.
Zie o.m. S.C.J.J. Kortmann, ‘De portacabin’, AA 47 (1998), p. 101 e.v.; H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’?’ Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 91-122; H.D. Ploeger, ‘Onroerende stacaravans: hoe lang is duurzaam?’, WPNR 2002/6497, p. 519-522; H.M.I.Th. Breedveld & R.N.G. van der Paardt, ‘Overdracht van kabels en leidingen; civiele en fiscale aspecten’, Vastgoed Fiscaal & Civiel, oktober 2003, p. 1-7; J.F.M. Janssen, ‘De uitleg die wordt gegeven aan de artt. 3:3 lid 1 en 5:20 sub e BW, ontregelt de zaak’, WPNR 2006/6691; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 55-56.
In dit arrest draaide het om een grote olietank, die diende ter opslag van stookolie op het terrein van de elektriciteitscentrale de Amercentrale. Op een dag scheurde de olietank over de gehele hoogte open, waardoor de olie lekte in de rivier de Amer, hetgeen schade had veroorzaakt aan derden. De vraag die in dit arrest centraal stond, was of de olietank te kwalificeren is als gebouw in de zin van art. 1405 (Oud) BW,1 , 2 zodat de eigenaar van de olietank aansprakelijk kon worden gesteld voor de schade die veroorzaakt was door het scheuren ervan.3 De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de olietank aangemerkt moest worden als gebouw, nu het ‘naar aard en inrichting bestemd was duurzaam ter plaatse te blijven’. Dit werd het ‘bestemmingscriterium’ genoemd.
In het Portacabinarrest ging het om de vraag wat bedoeld wordt met ‘duurzaam verenigd met de grond’, in de zin van art. 3:3 BW, terwijl het in het Amercentrale-arrest draaide om de vraag of een olietank gekwalificeerd kon worden als gebouw in de zin van art. 1405 BW. Naar mijn mening zijn dit twee verschillende vragen. Desalniettemin koos de Hoge Raad bij de beantwoording van deze vragen voor hetzelfde criterium, namelijk het bestemmingscriterium.
Zo krijgt men de situatie, dat art. 3:3 BW niet enkel qua formulering aangepast werd aan de bepaling betreffende risicoaansprakelijkheid voor opstallen, maar dat ook voor de invulling van het criterium van de duurzame vereniging aansluiting wordt gezocht bij rechtspraak omtrent art. 6:174 BW. Dit terwijl de Hoge Raad in het Amercentrale-arrest in het geheel niet ingaat op de vraag of de olietank onroerend is of niet.
Er is in de loop der jaren veel kritiek geuit op het bestemmingscriterium.4 Behalve dat een weinig concreet criterium als ‘de naar buiten toe kenbare bestemming duurzaam ter plaatse te blijven’ bij toepassing voor veel onduidelijkheden kan zorgen, heeft het als belangrijkste consequentie dat het onroerende zaaksbegrip hiermee aanzienlijk verruimd is. De Hoge Raad lijkt echter niet gevoelig voor deze kritiek en heeft de toepassing van het bestemmingscriterium voor de vraag of een gebouw of werk duurzaam verenigd is met de grond in alle nadien verschenen arresten hieromtrent consistent gehandhaafd.