Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/4.5.2
4.5.2 Andere aantastingsgronden
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602196:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:40, lid 1, BW.
HR 22 januari 1999, NJ 2000, 305 (Uneto/De Vliert) en Parl. Gesch. Boek 3, p. 192.
Het pensioenfondsbestuur wordt daarom ook geacht zelf deskundig te zijn ten aanzien van de voor het fonds relevante wet- en regelgeving (art. 1.2, lid 2, sub b, Beleidsregel geschiktheid). Het ligt dan niet voor de hand dát het gedwaald heeft. Het is wel mogelijk. Slaagt het erin aan te tonen dat het gedwaald heeft, dan roept dat overigens op de eerste plaats vraagtekens op over de deskundigheid van de bestuurders.
Art. 6:228, lid 2, BW. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 241-242.
Vernietiging van een rechtshandeling is ook mogelijk op andere gronden. Zo is een rechtshandeling nietig als ze door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.1 Erg kansrijk lijkt deze mogelijkheid niet. Een rechtshandeling die in strijd is met een wetsbepaling die niet de strekking heeft om daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten, is nog niet om die reden in strijd met de openbare orde of goede zeden. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden nodig.2
Een eventueel beroep door het pensioenfonds op dwaling omtrent de uitleg van de prudent person-regel of de uitbestedingsregels moet worden afgewezen. Het gaat hier immers om verplichtingen die op hem rusten. Voor de naleving daarvan is hij, niet zijn wederpartij, verantwoordelijk.3 Een dwaling van het pensioenfonds omtrent verplichtingen die op hemzelf rusten, moet naar mijn mening op grond van de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening blijven.4