Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.3.1
6.3.1 Het object van erfpacht en de bedingen uit art. 5:91 BW
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453240:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 5:104 BW. Vgl. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 243; Vonck, GS Zakelijke rechten, titel 5.8, aant. A (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013); Van Velten 2015, par. 12.5.
Zie hierover Koenecke 2013, met reacties: Huijgen 2013, Van Velten 2013.
Is het (privégedeelte van een) appartementsrecht object van erfpacht (art. 5:118a BW) of vruchtgebruik, dan laat de vraag of sprake is van één of meer appartementsrechten als object van het beperkte recht – en daarmee één of meer rechten – zich doorgaans gemakkelijk beantwoorden. Het appartementsrecht zal daarom als object in deze paragraaf buiten beschouwing blijven.
Zie Van der Plank 2012, zij spreekt over “zaakseenheid in het platte vlak”.
Behoren stukken grond aan verschillende eigenaren toe, dan is per definitie sprake van afzonderlijke zaken. Zoals later zal blijken wordt dan namelijk niet aan het criterium van gelijksoortigheid voldaan.
Kouffeld & Wiertsema 2012, p. 12-13 nemen aan dat het bestaan van één erfpachtrecht op meerdere objecten mogelijk is. Zij wijzen ter onderbouwing hiervan op art. 5:106 lid 6 BW. Mijns inziens is daar sprake van een uitzondering op de hoofdregel van uniciteit, zie paragraaf 8.2.1. Ook Verstappen (2011a en b) lijkt die mening toegedaan, al heeft hij mogelijk slechts het oog op de situatie waarin één onroerende zaak die bestaat uit meerdere kadastrale percelen is bezwaard met erfpacht. Dan doet zich de situatie waarin sprake is van één erfpachtrecht op meerdere onroerende zaken niet voor.
Een erfpachtakte moet uitgelegd worden aan de hand van de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in die akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving, HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser).
Parl. Gesch. Boek 5, p. 314; Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:91 BW, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013).
Een beding met voorwaarden zoals zojuist beschreven maakt de erfpacht niet geheel onoverdraagbaar, maar onderwerpt de overdracht slechts aan bepaalde voorwaarden. Dat is toegestaan. Zie Beekhoven van den Boezem 2003, p. 47; Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 27.3 (online, laatst bijgewerkt op 1 juni 2012); Houwing 1957; Parl. Gesch. Boek 3, p. 314 e.v.; Parl. Gesch. Boek 5, p. 311 e.v.; Parl. Gesch. Boek 5 (inv.), p. 1072 e.v.; Scholten 1926; Valkhoff 1960; Vonck in zijn noot in TBR 2010/93 onder HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0870, NJ 2010/242; Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:91 BW, aant. A (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013). Om die reden moet een dergelijke invulling van het beding en de voorwaarden voor overdracht voor mogelijk worden gehouden. Vgl. Van Velten 2015, par. 2.3.3 en Van Velten jr. 2015. Uiteraard is nog steeds correctie door de rechter mogelijk op grond van art. 5:91 lid 4 BW. De toelaatbaarheid van het beschreven beding kan ook afgeleid worden uit de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt dat in eerste instantie slechts dat wat nu lid 2 van art. 5:91 BW is, was voorzien; de wetgever wilde het tegengaan van versnippering faciliteren. Later is die bepaling uitgebreid in die zin dat niet alleen splitsing moest kunnen worden onderworpen aan toestemming van de eigenaar, maar ook overdracht van de erfpacht in het algemeen. Parl. Gesch. Boek 5, p. 311- 312. Het voorgaande geeft aan dat het tegengaan van versnippering door de wetgever wordt gezien als een rechtvaardiging voor het onthouden van toestemming aan splitsing van het erfpachtrecht (art. 5:91 lid 2 BW). In de jurisprudentie is één geval te vinden waarin dit ook aan de orde was en waarin rechtbank en hof oordelen dat het tegengaan van versnippering van percelen een redelijke grond is om toestemming voor splitsing van de erfpacht in twee gedeelten te weigeren. Rb. Rotterdam (ktr.) 5 februari 2008, Prg. 2008/104 en hoger beroep daarvan: hof ’s-Gravenhage 6 januari 2009,NJF 2009/63, JBN 2009/38. Beide uitspraken zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Zoeken in rechtspraak.nl op “5:91” op 16 september 2014 leverde 49 uitspraken op, waarvan de meesten uiteindelijk geen betrekking hadden op art. 5:91 BWen waarvan de uitspraken die dat wel hadden, allemaal niet splitsing of gezamenlijke overdracht betroffen.
Dit staat niet letterlijk in de wet en wordt ook nergens in de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en handboeken met zoveel woorden gezegd. Vonck (GS Zakelijkerechten, art. 5:91 BW, aant. 6 (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013)) is voorzichtig: “Het valt op dat in dit artikellid niet is opgenomen dat een gebrek aan toestemming door de eigenaar niet aan executie in de weg staat. Dit zou kunnen betekenen dat een hypotheekhouder het verbonden erfpachtrecht niet voor een gedeelte kan verkopen. Machtiging van de kantonrechter op de voet van het vierde lid kan dan uitkomst brengen.” Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de uitzondering voor schuldeisers uit lid 1 van art. 5:91 BW is opgenomen omdat het belang van de grondeigenaar bij executie van het erfpachtrecht moest “wijken voor het meer algemene belang dat niet door middel van een beding als hier bedoeld een belangrijk vermogensbestanddeel als een recht van erfpacht kan zijn, vrijwel aan verhaal door de schuldeisers van de erfpachter zou kunnen worden onttrokken,” Parl. Gesch. Boek 5, p. 313. Bij het geval van lid 2 speelt deze overweging niet. Als de schuldeiser geen toestemming krijgt om het erfpachtrecht te splitsen, kan hij het nog steeds als geheel executoriaal verkopen.
Het is overigens de vraag of executerende schuldeisers überhaupt de bevoegdheid hebben tot verticale splitsing, vgl. Punte 2013. Of zij die bevoegdheid nou wel of niet hebben, in beide gevallen is het van belang om vast te stellen of sprake is van één of meer erfpachtrechten, in verband met de werking van de bedingen uit art. 5:91 BW.
Vgl. Van Velten jr. 2015.
Nu is dat overigens in het Duitse recht ook niet het geval, maar daar worden de Grundstücke zelf door middel van een nummering opgenomen in het Grundbuch. Ik kom daar nog op terug.
Heyman & Bartels 2012, nr. 17; Van der Plank 2012; Ploeger, GS zakelijke rechten, art. 5:20, aant. 1.2 (online, laatst bijgewerkt op 1 augustus 2004); Ploeger 2003, p. 65-66, 74-75. Suijling 1940, nr. 36: “Daarom komt het voor de identificatie van een onroerend goed vóór alles op de horizontale begrenzing aan. Die kan slechts indirect, van geval tot geval, uit de regelen nopens de eigendomsverkrijging worden afgeleid. Zulk een deel van het aardoppervlak komt aan den eigenaar toe, als hij door eene of andere wijze van eigendomsverkrijging verworven heeft.” Zie ook De Jong 2006, nr. 120.
Ploeger 2003, p. 66.
Van der Plank 2012, par. 3.
Ploeger 2003, p. 65-66. Vgl. De Jong 2006, nr. 120. Omgekeerd leidt vestiging van een beperkt recht op een (daarvoor geschikt) gedeelte van een onroerende zaak ook tot verticale splitsing van die onroerende zaak, zie Van der Plank 2012, par. 3, vgl. HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3550, BNB 2006/22, r.o. 7.2.
Bijvoorbeeld alle stukken grond zijn in volle eigendom van dezelfde persoon of in erfpacht uitgegeven aan dezelfde erfpachter onder dezelfde voorwaarden, etc. Van der Plank 2012, par. 3; Ploeger 2003, p. 66, 74-75. Vgl. De Jong 2006, nr. 120.
Vgl. ten aanzien van het uniciteitsbeginsel Wolf 1965, o.a. p. 50 e.v., 77.
Van der Plank 2012, par. 4; Ploeger 2003, p. 66, 74-75. Vgl. Van Velten jr. 2015.
Van der Plank 2012, par. 4.
Vgl. ook de situatie van de ‘grensoverschrijdende treurwilg’ en het geval waarin een gebouw exact op de perceelsgrens is gebouwd en geen ‘kernperceel’ valt aan te wijzen: HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9997, NJ 2011/241, AA 2011, p. 636-639; Ploeger 1997, nr. 152-154.
169. Het erfpachtrecht is tot dusver nog niet aan bod geweest. Dat komt omdat zich daarbij enige eigenaardigheden voordoen, waardoor het afzonderlijke aandacht verdient. Hetgeen ik hier bespreek, geldt mutatis mutandis voor het opstalrecht.1 In paragraaf 6.2.2 kwam de zogenoemde verticale splitsing van een onroerende zaak al aan de orde: het gedeeltelijk overdragen van een onroerende zaak, waardoor deze in tweeën gesplitst wordt. Niet alleen de onroerende zaak zelf, maar ook beperkte rechten daarop kunnen verticaal gesplitst worden, door overdracht van een gedeelte van het recht, betrekking hebbend op een gedeelte van de onroerende zaak. Ook bij het erfpachtrecht is dit het geval.2
170. Ten eerste brengt de grond als object van beperkte rechten bijzonderheden met zich. Deze bijzonderheden doen zich dus niet alleen voor bij erfpacht, maar bijvoorbeeld ook bij een recht van vruchtgebruik op een onroerende zaak.3 Bijzonder aan de grond als onroerende zaak is dat ieder willekeurig deel van de grond in potentie een zelfstandige zaak is. De grenzen van roerende zaken worden bepaald door de regels van bestanddeelvorming. Wat onroerende zaken betreft wordt voor zover het gebouwen, werken en beplantingen betreft de omvang van de zaak bepaald door de regels van verticale en horizontale natrekking. Daarover is veel geschreven, maar dat is niet het geval voor het afbakenen van de grenzen van de grond als onroerende zaak in de breedte, op de grond, ‘in het platte vlak’.4 Ieder deel van de grond is in potentie een zelfstandig rechtsobject. Door middel van verticale splitsing bijvoorbeeld kunnen verschillende zelfstandige onroerende zaken uit één onroerende zaak worden gecreëerd. Hoe kan nu in een concreet geval vastgesteld worden of, indien een stuk grond aan één eigenaar toebehoort,5 sprake is van één of meer onroerende zaken?
Bijzonder aan het erfpachtrecht zelf is dat beperkingen aan de mogelijkheid van verticale splitsing door de erfpachter kunnen worden gesteld door een beding als bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW. Dit houdt in dat in de erfpachtakte met goederenrechtelijke werking kan worden bepaald dat het erfpachtrecht niet gesplitst kan worden zonder toestemming van de bloot eigenaar. De grondeigenaar kan op die manier versnippering tegengaan. Vanwege deze mogelijkheid is het van belang om te weten of in een bepaald geval sprake is van één erfpachtrecht of meer erfpachtrechten. In het laatste geval is immers geen sprake van verticale splitsing door de erfpachter, maar van overdracht van één afzonderlijk erfpachtrecht.
171. Ook bij het erfpachtrecht is uniciteit het uitgangspunt. De in paragraaf 2.3.2 in het algemeen voor het Nederlandse recht genoemde uitgangspunten gelden ook voor het erfpachtrecht. De wet biedt geen aanknopingspunten dat zich bij erfpacht een uitzondering voor zou doen. Verkeerden partijen in de veronderstelling één erfpachtrecht op twee onroerende zaken te vestigen, dan gaat het naar mijn mening in werkelijkheid om twee erfpachtrechten.6 Omdat het voor de werking van een beding zoals bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW zoals gezegd van belang is om te weten of sprake is van één erfpachtrecht of meer afzonderlijke erfpachtrechten, is het ook van belang om vast te stellen of in een bepaald geval sprake is van één onroerende zaak of meer onroerende zaken.
Indien partijen in de veronderstelling verkeerden dat zij één erfpachtrecht vestigden op twee onroerende zaken en zij een beding hebben opgenomen zoals bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW, kan uitleg van de erfpachtakte partijen te hulp schieten. Door uitleg kan genoemd beding ‘omgekat’ worden in een beding zoals in art. 5:91 lid 1 BW.7 Het beding waarbij toestemming voor de splitsing wordt vereist, wordt dan uitgelegd als een beding waarbij toestemming voor de overdracht is vereist. De eigenaar kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.8 De akte kan dan zo worden begrepen dat toestemming voor overdracht slechts wordt verleend indien tegelijk met de overdracht van het betreffende erfpachtrecht ook het andere erfpachtrecht aan dezelfde verkrijger wordt overgedragen.9
Nog afgezien van de vraag of in dergelijke gevallen de erfpachtakte steeds op die wijze uitgelegd kan en zal worden, is de bloot eigenaar met deze uitleg niet altijd geholpen. Een beding als bedoeld in art. 5:91 lid 1 BW kan niet worden tegengeworpen aan executerende schuldeisers. Beide erfpachtrechten kunnen dus afzonderlijk geëxecuteerd worden, waardoor het risico op versnippering blijft bestaan. Bij art. 5:91 lid 2 BW zijn schuldeisers bij executie wel gebonden aan het beding,10 waardoor alleen het erfpachtrecht in zijn geheel geëxecuteerd kan worden.11
172. De vraag of sprake is van één of twee erfpachtrechten – en daarmee de vraag of sprake is van één of twee onroerende zaken waarop het recht of de rechten gevestigd zijn – blijft dus van belang.12 In het Duitse recht kan door het systeem van het Grundbuch geen twijfel bestaan over de omvang van de onroerende zaak (Grundstück) en de vraag of er sprake is van één of meer onroerende zaken; het Grundstück wordt formeel afgebakend (hierop kom ik nog terug). In het Nederlandse recht is dit niet het geval. Er zijn geen criteria in de wet of jurisprudentie om te bepalen of we te maken hebben met één onroerende zaak of meer onroerende zaken. De kadastrale omschrijving is weliswaar behulpzaam bij het aanduiden van een onroerende zaak, maar een onroerende zaak is niet hetzelfde als een kadastraal perceel.13 Hoe dan te beoordelen wat de (horizontale) omvang van een onroerende zaak is en of een stuk grond een zelfstandige onroerende zaak is of onderdeel van een groter geheel?
In de literatuur is deze vraag door enkelen behandeld.14 Ploeger schrijft:
“De omvang van het erf reikt dus zo ver als het recht van de eigenaar strekt. De individualiteit ontleent het stuk grond uiteindelijk aan het subjectieve recht (de aanspraak van de eigenaar) en het objectieve recht dat die aanspraak erkent en beschermt.”15
Van der Plank sluit zich hierbij aan. Zij schrijft dat “de rechtstoestand de zaakseenheid bij grond bepaalt.”16 Nu het aardoppervlak één groot vlak is, zonder vaststaande grenzen, maar wij die grenzen er zelf in aanleggen, is het niet gek om aan te sluiten bij de materiële rechtstoestand van de grond. Ik kan mij daarom vinden in de opvattingen van Ploeger en Van der Plank. Het is de beschikkingshandeling en de rechtstoestand die bepalend is voor wat een onroerende zaak is. Als bijvoorbeeld één erfpachtrecht gevestigd word op twee aangrenzende onroerende zaken, komt daardoor één onroerende zaak te ontstaan met daarop één erfpachtrecht.17
Wel stellen Ploeger en Van der Plank als eis dat de rechtstoestand van de stukken grond gelijk moet zijn.18 Ook daarin kan ik mij vinden. Wanneer immers een beperkt recht wordt gevestigd op een gedeelte van een onroerende zaak, wordt dit gedeelte van de onroerende zaak afgesplitst – een beperkt recht kan slechts op een zaak in zijn geheel rusten en niet op een gedeelte daarvan. Het ligt niet in de rede het bestaan van één recht aan te nemen, indien dit met betrekking tot verschillende stukken grond een andere inhoud zou hebben,19 bijvoorbeeld omdat op één perceel beslag is gelegd en op het andere niet. Uit het voorgaande volgt dat als één onroerende zaak bezwaard is met een recht van hypotheek en de aangrenzende onroerende zaak niet, bij vestiging van erfpacht op die zaken twee erfpachtrechten ontstaan – en niet één, zoals het geval zou zijn geweest als de rechtstoestand bij beide zaken hetzelfde zou zijn geweest.
Voorts wordt door Ploeger en Van der Plank de eis gesteld dat de stukken grond aangrenzend zijn.20 Het hanteren van dit vereiste biedt als voordeel dat het een duidelijk en scherp criterium is en het lijkt op het eerste gezicht voor de hand te liggen. Het zal discussie voorkomen over waar de grens getrokken moet worden. Intuïtief voelt men aan dat, bijvoorbeeld, twee stukken grond gelegen in Maastricht en Groningen niet tezamen één onroerende zaak kunnen vormen. Maar wat is dan nog wél acceptabel, als aangrenzendheid niet zou zijn vereist? Het voordeel van het vereiste van aangrenzendheid is dus dat het duidelijkheid schept en afbakeningsproblemen voorkomt.
Het eisen van aangrenzendheid heeft echter als nadeel dat men makkelijker tegen de situatie aanloopt waarin partijen ervan uitgingen over één recht te beschikken, terwijl het in werkelijkheid twee (of meer) rechten betrof. Vanwege de besproken werking van bedingen als in art. 5:91 lid 2 BW kan dan de vraag gesteld worden of in alle gevallen het heel strikt toepassen van het criterium van aangrenzendheid gerechtvaardigd is. Denk aan het voorbeeld dat Van der Plank zelf geeft: een stuk grond met garage aan de ene kant van de (gemeentelijke) openbare weg en een stuk grond met huis aan de andere kant.21 Ook kan gedacht worden aan gebouwen of werken die zich in de vorm van een brug uitstrekken over grond van een ander en waarbij geen kernperceel is aan te wijzen. Bijvoorbeeld een gebouw dat aan de ene kant van de weg met de grond verenigd is en aan de andere kant ook, terwijl de weg die er onderdoor loopt van een andere eigenaar is.22
173. Hoewel de eis van aangrenzendheid duidelijkheid schept, ben ik van mening dat dit vereiste niet te strikt geïnterpreteerd moet worden. Anders gezegd: één eigendomsrecht op niet aaneengesloten grond is mogelijk. Ik ben deze mening toegedaan omdat in het Duitse recht soepeler om wordt gesprongen met het criterium van aangrenzendheid en uit de literatuur niet van (afbakenings)problemen blijkt. Hieronder zal ik uiteenzetten hoe het Duitse recht omgaat met de vraag wat één onroerende zaak is.