Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.3.1
1.3.1 Het arrest Dépex/Curatoren
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485502:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
H.A.G. Fikkers, ‘Recensie H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom’, NTBR 1999/6, p. 172.
S.C.J.J. Kortmann,’ De Portacabin’, AA 1998, afl. 2, p. 105.
H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 103.
Zie tevens S.C.J.J. Kortmann, ‘De portacabin’, AA 1998, afl. 2, p. 101-105 en H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’?. Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 103.
Vast stond dat de waterdistillatie-inrichting geen bestanddeel van het fabrieksgebouw uitmaakte op grond van art. 3:4 lid 2 BWnu het niet zodanig verbonden was met het gebouw dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis werd toegebracht aan een der zaken.
Hof Leeuwarden 9 november 1994, ECLI:NL:GHLEE:1994:AC1109.
Deze invulling van de verkeersopvatting is vervolgens in verschillende arresten door de Hoge Raad bevestigd. Zo werd in HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774 (Ontvanger/Rabobank) bepaald dat een computergestuurde zaaiinstallatie in de kassen en de loods van een kwekersbedrijf geen bestanddeel was van het gebouw. Tevens werd in HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116 door de Hoge Raad geoordeeld dat een straalcabine voor het stralen van vrachtwagens in een bedrijfshal de incompleetheidstoets niet doorstond.
Zie HR 26 maart 1936, NJ 1936/757 (Sleepboot Egbertha) en HR 11 december 1953, NJ 1954/115 (Stafmateriaal). Zie voor een uitgebreide bespreking van deze arresten hoofdstuk 3.
HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabinarrest).
HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0813 (Warmtekrachtkoppelingsarrest).
Naar aanleiding van het Portacabinarrest stelden onder meer Fikkers,1 Kortmann2 en Heyman3 de vraag of het bestemmingscriterium ook geldt voor de indirecte vereniging van art. 3:3 BW.
Een gebouw of werk hoeft op grond van art. 3:3 lid 1 BW niet rechtstreeks verenigd te zijn met de grond om als onroerende zaak gekwalificeerd te kunnen worden. Deze duurzame vereniging kan ook zijn ‘door vereniging met een ander gebouw of werk.’ De vraag is op welke wijze een gebouw of werk indirect verenigd kan zijn met de grond, in de zin van art. 3:3 lid 1 BW.4
Zo stelde Kortmann zich in zijn annotatie bij het Portacabinarrest de vraag of de uitkomst in de casus van het arrest Dépex/Curatoren anders was geweest, indien geen beroep gedaan zou zijn op bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 lid 1 BW, maar indien gesteld was dat de waterdistillatie-inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven en op basis van de indirecte vereniging van art. 3:3 BW onroerend was.
De casus in het arrest Dépex/Curatoren was als volgt: leverancier Dépex had een waterdistillatie-inrichting verkocht en geleverd aan de farmaceutische fabriek van Bergel. Dépex had zich de eigendom van de door haar geleverde goederen voorbehouden, totdat al hetgeen zij van Bergel te vorderen had, was voldaan. Voordat echter alle vorderingen waren voldaan, geraakte Bergel in financiële problemen. Het geschil betrof de vraag of Dépex de waterdistillatie-inrichting die zij onder eigendomsvoorbehoud had verkocht en geleverd kon revindiceren, of dat Bergel, op grond van art. 5:3 BW, eigenaar was geworden van de installatie, doordat deze op basis van de verkeersopvatting van 3:4 lid 1 BW bestanddeel was van het fabrieksgebouw.5 De Hoge Raad oordeelde dat wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd, hierin een aanwijzing ligt dat apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting als één zaak moeten worden gezien. Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze laatste maatstaf, zo stelde de Hoge Raad, komt het niet aan op de functie welke de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces. Op grond van deze (strikte) toets oordeelde het hof6 na terugverwijzing dat Bergel geen eigenaar was geworden van de inrichting door natrekking en dat Dépex de waterdistillatie-inrichting krachtens het eigendomsvoorbehoud kon revindiceren onder Bergel.7
De incompleetheidstoets die de Hoge Raad in het arrest Dépex/Curatoren nader concretiseerde, was al vaste jurisprudentie.8 De vraag of iets bestanddeel is van een andere (hoofd)zaak, is in de praktijk met name van belang voor de vraag of waardevolle kapitaalgoederen, zoals bepaalde installaties, bestanddeel zijn (geworden) van een (fabrieks)gebouw. Het antwoord op deze vraag heeft namelijk belangrijke consequenties voor onder meer de leverancier die onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd, de omvang van het eigendomsrecht van de eigenaar van het gebouw en ook voor de omvang van een eventueel hypotheek- en/of pandrecht dat rust op de onroerende zaak resp. de installatie.
Zes jaar later werd het Portacabinarrest9 gewezen, waarin het bestemmingscriterium werd geformuleerd. Stel nu dat het Portacabinarrest eerder was gewezen dan het arrest Dépex/Curatoren. En stel dat door de curator van fabriekseigenaar Bergel geen beroep zou zijn gedaan op art. 3:4 lid 1 BW, maar hij gesteld had dat de waterdistillatie-inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven en op basis van de indirecte vereniging van art. 3:3 BW onroerend was. Op grond van art. 5:20 onderdeel e BW wordt de inrichting in dat geval nagetrokken door de grond. In de casus zoals in het arrest Dépex/Curatoren, zou dit hebben betekend dat de waterdestillatie-inrichting geen bestanddeel was van het fabrieksgebouw op grond van art. 3:4 BW, maar dat Bergel wel door natrekking op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 sub e BW eigenaar was geworden van de distillatie-inrichting. Dépex had in dat geval de inrichting níet kunnen revindiceren met een beroep op het eigendomsvoorbehoud.
Dit zou betekenen dat het antwoord op de vraag of natrekking heeft plaatsgevonden in exact dezelfde casus, afhangt van de wetsartikelen waar men de natrekking op baseert. Hierdoor zou de strikte (incompleetheids)toets van bestanddeelvorming op grond van 3:4 lid 1 BW omzeild kunnen worden door een beroep op art. 3:3 j° 5:20 onderdeel e BW, waarvoor een ruim(er) criterium geldt (het bestemmingscriterium). Dat dit een onwenselijke consequentie is, wordt met name duidelijk wanneer men zich realiseert dat indien twee zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren door natrekking verworden tot één zaak, bij één van beide eigenaars eigendomsverlies optreedt. Dit kan ook effect sorteren op een eventuele pandhouder van de nagetrokken zaak. Zijn recht vervalt, terwijl – indien een onroerende hoofdzaak bezwaard is met een hypotheekrecht – de hypotheekhouder juist bevoordeeld wordt, nu het hypotheekrecht zich op grond van art. 3:227 lid 2 BW mede uit gaat strekken over de nagetrokken zaak.
Toch lijkt de Hoge Raad in een in september 2013 gewezen arrest het bovenstaande te bevestigen.10