Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:263 BW:Onzekerheidsexceptie
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:263 BW
Onzekerheidsexceptie
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
Actueel t/m
22-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. E.J. Bellaart
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:263 BW
De schuldenaar die als eerste moet presteren komt noch op grond van art. 6:262 BW noch op grond van art. 6:52 BW een opschortingsrecht toe, aangezien die partij nog geen opeisbare vordering heeft op haar wederpartij (de schuldeiser). Op grond van art. 6:263 BW komt de schuldenaar desalniettemin onder omstandigheden een opschortingsrecht toe (de onzekerheidsexceptie).
De schuldenaar zal in reactie op een vordering van zijn schuldeiser (tot nakoming of uit hoofde van tekortkoming, zoals een vordering tot schadevergoeding of ontbinding) een beroep doen op de onzekerheidsexceptie en voert daarmee een bevrijdend verweer. Dit brengt mee dat in een procedure op de schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten van de vereisten voor opschorting op grond van de onzekerheidsexceptie. De wederpartij kan de feitelijke grondslag betwisten van deze vereisten, maar kan ook bevrijdende verweren voeren. Deze laatste komen hieronder aan bod onder het kopje āfeiten die aan opschorting in de weg staanā.
Vereisten voor opschorting op grond van de onzekerheidsexceptie
De onzekerheidsexceptie is van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Echter ook indien er geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is de onzekerheidsexceptie in bepaalde gevallen van toepassing.1 Hoewel de toepasselijkheid van de onzekerheidsexceptie goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldenaar zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen.
De verplichtingen van de schuldenaar dienen te staan tegenover de verplichtingen van de schuldeiser. Dit betreft dezelfde norm als onder art. 6:262 BW (de exceptio non adimpleti contractus, hierna: de enac).2 Dit nauwe verband is niet steeds aanwezig tussen alle wederzijdse prestaties die uit een wederkerige overeenkomst voortvloeien.3 Zo staat bijvoorbeeld de verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding wel, maar de verplichting tot betaling van aanvullende schadevergoeding niet ātegenoverā de verplichting van de wederpartij.4 Om te beoordelen of sprake is van tegenover elkaar staande verplichtingen, dient men na te gaan of de schuldenaar zich in beginsel door gehele of gedeeltelijke ontbinding kan bevrijden van zijn (op te schorten) verbintenis, indien de niet-nakoming door zijn wederpartij een definitief karakter gaat dragen. Het bijzondere (sterkere) karakter van de onzekerheidsexceptie wordt namelijk gerechtvaardigd doordat de schuldenaar tevens de overeenkomst kan ontbinden. Een beroep op de onzekerheidsexceptie is derhalve op haar plaats als er vervolgens ook kan worden ontbonden op grond van de desbetreffende tekortkoming.5 Het ligt op de weg van de schuldenaar om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit nauwe verband volgt, en voor zover die feiten en omstandigheden door de schuldeiser gemotiveerd worden betwist, ook om deze te bewijzen.
Het verschil tussen de enac en de onzekerheidsexceptie zit hem hierin dat de schuldenaar voor een beroep op de onzekerheidsexceptie geen opeisbare vordering hoeft te hebben op de schuldeiser. In plaats daarvan is vereist dat de schuldenaar na het sluiten van de overeenkomst te zijner kennis gekomen omstandigheden hem goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen.6 Het moet dus gaan om na de contractsluiting aan de schuldenaar bekend geworden omstandigheden. Er dienen concrete, aanwijsbare redenen te zijn die de vrees van de schuldenaar objectief rechtvaardigen.7 Op de schuldenaar die zich beroept op de onzekerheidsexceptie rusten de stelplicht en de bewijslast dat zich dergelijke omstandigheden voordoen, alsmede dat deze omstandigheden hem eerst na de contractsluiting bekend zijn geworden.
Feiten die aan opschorting in de weg staan
De schuldeiser die wordt geconfronteerd met een beroep op de onzekerheidsexceptie kan, naast het betwisten van de feitelijke grondslag van dat opschortingsberoep, verschillende verweren voeren. De stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden met betrekking tot die verweren zullen op de schuldeiser rusten, die zich immers op de rechtsgevolgen daarvan zal beroepen.
De schuldeiser kan zich er bijvoorbeeld op beroepen dat de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid in de weg staat aan het beroep op de onzekerheidsexceptie.
In dit kader is van belang dat de redelijkheid en de billijkheid kunnen meebrengen dat de schuldenaar aan de schuldeiser duidelijk maakt op welke feiten hij zijn bevoegdheid baseert.8 De Hoge Raad heeft daarover overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een schuldenaar die de nakoming van zijn verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van zijn schuldeiser, de schuldeiser kenbaar maakt dat hij zijn prestatie opschort. Dat strookt met de regel dat een beroep op een opschortingsrecht voor het eerst in een gerechtelijke procedure kan worden gedaan, ook indien de schuldenaar daarop vóór de procedure geen beroep had gedaan (HR 8 maart 2002, LJN AD7343, NJ 2002/199). Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn schuldeiser heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.9 De stelplicht en de bewijslast hieromtrent rusten op de schuldeiser, die zich erop zal beroepen dat er een mededelingsplicht bestond. Indien de schuldeiser hierin slaagt en er dus een mededelingsplicht op de schuldenaar rust, is de vervolgvraag op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten dat aan die plicht is voldaan. Hierover kan verschillend worden gedacht.10Mijns inziens rusten de stelplicht en bewijslast hiervan āĀ in lijn met de bewijslastverdeling inzake de klachtplicht (art. 6:89 BW)Ā ā op de schuldenaar.11
De Hoge Raad heeft evenwel in een huurverhouding een strenge regel geformuleerd inhoudende dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de huurder in beginsel niet bevoegd is tot opschorting (of ontbinding) op grond van gebreken in het gehuurde, zolang hij de verhuurder niet van de gebreken op de hoogte heeft gesteld, hetgeen slechts anders is indien de huurder stelt en bewijst dat de verhuurder reeds in voldoende mate met de gebreken bekend was om tot het nemen van maatregelen over te kunnen gaan.12 Wolters heeft opgemerkt dat bij andere rechtsverhoudingen dan huur niet een āin-beginsel-mededelingsplicht-tenzijā wordt aangenomen.13 Een en ander betekent dat in een huurverhouding de stelplicht en de bewijslast zijn omgekeerd, in die zin dat op de huurder/schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat de mededelingsplicht niet geldt dan wel dat hij aan die plicht heeft voldaan. Deze stelplicht zal mijns inziens overigens pas actueel worden, als de verhuurder heeft aangevoerd dat de huurder deze mededelingsplicht heeft verzaakt.14
De onzekerheidsexceptie kan, anders dan bij opschorting op grond van art. 6:52 BW, in beginsel niet ontkracht worden door zekerheidstelling (zie art. 6:264 BW). De redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden echter meebrengen dat een beroep op de onzekerheidsexceptie niet opgaat, wanneer voldoende zekerheid wordt aangeboden.15 De stelplicht en de bewijslast van dit bevrijdend verweer rusten dus op de schuldeiser.
Is opschorting gerechtvaardigd? (lid 2)
In lid 2 is een uit de redelijkheid en billijkheid volgende proportionaliteitstoets opgenomen, ingeval op goede gronden mag worden gevreesd dat de schuldeiser slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk zal nakomen. Dit betreft een gelijke proportionaliteitseis als in art. 6:262 lid 2 BW.16 Deze proportionaliteitseis volgt uit de redelijkheid en billijkheid. De grens ligt daar, waar de opschorting disproportioneel wordt. Dit is geen nauwkeurige toets: een min of meer ruime marge is toelaatbaar.17
Dat op goede gronden gevreesd mag worden dat sprake zal zijn van (niet meer dan) gedeeltelijke niet-nakoming of niet behoorlijke nakoming, zodat lid 2 toepassing vindt, zal veelal uit de eigen stellingen van de schuldenaar voortvloeien. Is dat anders, dan zal dienaangaande op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast rusten zoals volgt uit de wettekst (āIn geval ā¦ā) in verband met de hoofdregel van art. 150 Rv. Uit de tekst van de wet (āvoor zoverā¦ā) kan verder worden afgeleid dat op de schuldenaar die zich beroept op de onzekerheidsexceptie, vervolgens de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat opschorting proportioneel is. Hoewel de beoordeling van de proportionaliteit goeddeels een rechterlijke waardering behelst die zich minder goed leent voor het leveren van bewijs, zal de opschortende schuldenaar voldoende feiten en omstandigheden dienen te stellen omtrent de omvang en de ernst van de gevreesde niet-nakoming door de schuldeiser.18
Tot slot zij opgemerkt dat art. 6:263 BW van regelend recht is.19 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast hiervan, conform de hoofdregel van art. 150 Rv.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:263 BW
Onzekerheidsexceptie
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
22-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. E.J. Bellaart
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:263 BW
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
wederkerige overeenkomst
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 263
Opschorting (lid 1)
Inleiding
De schuldenaar die als eerste moet presteren komt noch op grond van art. 6:262 BW noch op grond van art. 6:52 BW een opschortingsrecht toe, aangezien die partij nog geen opeisbare vordering heeft op haar wederpartij (de schuldeiser). Op grond van art. 6:263 BW komt de schuldenaar desalniettemin onder omstandigheden een opschortingsrecht toe (de onzekerheidsexceptie).
De schuldenaar zal in reactie op een vordering van zijn schuldeiser (tot nakoming of uit hoofde van tekortkoming, zoals een vordering tot schadevergoeding of ontbinding) een beroep doen op de onzekerheidsexceptie en voert daarmee een bevrijdend verweer. Dit brengt mee dat in een procedure op de schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten van de vereisten voor opschorting op grond van de onzekerheidsexceptie. De wederpartij kan de feitelijke grondslag betwisten van deze vereisten, maar kan ook bevrijdende verweren voeren. Deze laatste komen hieronder aan bod onder het kopje āfeiten die aan opschorting in de weg staanā.
Vereisten voor opschorting op grond van de onzekerheidsexceptie
De onzekerheidsexceptie is van toepassing op wederkerige overeenkomsten. Echter ook indien er geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is de onzekerheidsexceptie in bepaalde gevallen van toepassing.1 Hoewel de toepasselijkheid van de onzekerheidsexceptie goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldenaar zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen.
De verplichtingen van de schuldenaar dienen te staan tegenover de verplichtingen van de schuldeiser. Dit betreft dezelfde norm als onder art. 6:262 BW (de exceptio non adimpleti contractus, hierna: de enac).2 Dit nauwe verband is niet steeds aanwezig tussen alle wederzijdse prestaties die uit een wederkerige overeenkomst voortvloeien.3 Zo staat bijvoorbeeld de verplichting tot betaling van vervangende schadevergoeding wel, maar de verplichting tot betaling van aanvullende schadevergoeding niet ātegenoverā de verplichting van de wederpartij.4 Om te beoordelen of sprake is van tegenover elkaar staande verplichtingen, dient men na te gaan of de schuldenaar zich in beginsel door gehele of gedeeltelijke ontbinding kan bevrijden van zijn (op te schorten) verbintenis, indien de niet-nakoming door zijn wederpartij een definitief karakter gaat dragen. Het bijzondere (sterkere) karakter van de onzekerheidsexceptie wordt namelijk gerechtvaardigd doordat de schuldenaar tevens de overeenkomst kan ontbinden. Een beroep op de onzekerheidsexceptie is derhalve op haar plaats als er vervolgens ook kan worden ontbonden op grond van de desbetreffende tekortkoming.5 Het ligt op de weg van de schuldenaar om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit nauwe verband volgt, en voor zover die feiten en omstandigheden door de schuldeiser gemotiveerd worden betwist, ook om deze te bewijzen.
Het verschil tussen de enac en de onzekerheidsexceptie zit hem hierin dat de schuldenaar voor een beroep op de onzekerheidsexceptie geen opeisbare vordering hoeft te hebben op de schuldeiser. In plaats daarvan is vereist dat de schuldenaar na het sluiten van de overeenkomst te zijner kennis gekomen omstandigheden hem goede grond geven te vrezen dat de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen niet zal nakomen.6 Het moet dus gaan om na de contractsluiting aan de schuldenaar bekend geworden omstandigheden. Er dienen concrete, aanwijsbare redenen te zijn die de vrees van de schuldenaar objectief rechtvaardigen.7 Op de schuldenaar die zich beroept op de onzekerheidsexceptie rusten de stelplicht en de bewijslast dat zich dergelijke omstandigheden voordoen, alsmede dat deze omstandigheden hem eerst na de contractsluiting bekend zijn geworden.
Feiten die aan opschorting in de weg staan
De schuldeiser die wordt geconfronteerd met een beroep op de onzekerheidsexceptie kan, naast het betwisten van de feitelijke grondslag van dat opschortingsberoep, verschillende verweren voeren. De stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden met betrekking tot die verweren zullen op de schuldeiser rusten, die zich immers op de rechtsgevolgen daarvan zal beroepen.
De schuldeiser kan zich er bijvoorbeeld op beroepen dat de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid in de weg staat aan het beroep op de onzekerheidsexceptie.
In dit kader is van belang dat de redelijkheid en de billijkheid kunnen meebrengen dat de schuldenaar aan de schuldeiser duidelijk maakt op welke feiten hij zijn bevoegdheid baseert.8 De Hoge Raad heeft daarover overwogen dat in zijn algemeenheid niet de eis kan worden gesteld dat een schuldenaar die de nakoming van zijn verbintenis opschort vanwege een niet-nakoming van zijn schuldeiser, de schuldeiser kenbaar maakt dat hij zijn prestatie opschort. Dat strookt met de regel dat een beroep op een opschortingsrecht voor het eerst in een gerechtelijke procedure kan worden gedaan, ook indien de schuldenaar daarop vóór de procedure geen beroep had gedaan (HR 8 maart 2002, LJN AD7343, NJ 2002/199). Evenwel kan onder omstandigheden uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een schuldenaar pas van een hem toekomend opschortingsrecht gebruik mag maken nadat hij zijn schuldeiser heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen, en wat degene die opschort, toen met betrekking tot die wetenschap of dit begrijpen mocht aannemen.9 De stelplicht en de bewijslast hieromtrent rusten op de schuldeiser, die zich erop zal beroepen dat er een mededelingsplicht bestond. Indien de schuldeiser hierin slaagt en er dus een mededelingsplicht op de schuldenaar rust, is de vervolgvraag op welke partij de stelplicht en bewijslast rusten dat aan die plicht is voldaan. Hierover kan verschillend worden gedacht.10Mijns inziens rusten de stelplicht en bewijslast hiervan āĀ in lijn met de bewijslastverdeling inzake de klachtplicht (art. 6:89 BW)Ā ā op de schuldenaar.11
De Hoge Raad heeft evenwel in een huurverhouding een strenge regel geformuleerd inhoudende dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de huurder in beginsel niet bevoegd is tot opschorting (of ontbinding) op grond van gebreken in het gehuurde, zolang hij de verhuurder niet van de gebreken op de hoogte heeft gesteld, hetgeen slechts anders is indien de huurder stelt en bewijst dat de verhuurder reeds in voldoende mate met de gebreken bekend was om tot het nemen van maatregelen over te kunnen gaan.12 Wolters heeft opgemerkt dat bij andere rechtsverhoudingen dan huur niet een āin-beginsel-mededelingsplicht-tenzijā wordt aangenomen.13 Een en ander betekent dat in een huurverhouding de stelplicht en de bewijslast zijn omgekeerd, in die zin dat op de huurder/schuldenaar de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat de mededelingsplicht niet geldt dan wel dat hij aan die plicht heeft voldaan. Deze stelplicht zal mijns inziens overigens pas actueel worden, als de verhuurder heeft aangevoerd dat de huurder deze mededelingsplicht heeft verzaakt.14
De onzekerheidsexceptie kan, anders dan bij opschorting op grond van art. 6:52 BW, in beginsel niet ontkracht worden door zekerheidstelling (zie art. 6:264 BW). De redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden echter meebrengen dat een beroep op de onzekerheidsexceptie niet opgaat, wanneer voldoende zekerheid wordt aangeboden.15 De stelplicht en de bewijslast van dit bevrijdend verweer rusten dus op de schuldeiser.
Is opschorting gerechtvaardigd? (lid 2)
In lid 2 is een uit de redelijkheid en billijkheid volgende proportionaliteitstoets opgenomen, ingeval op goede gronden mag worden gevreesd dat de schuldeiser slechts gedeeltelijk of niet behoorlijk zal nakomen. Dit betreft een gelijke proportionaliteitseis als in art. 6:262 lid 2 BW.16 Deze proportionaliteitseis volgt uit de redelijkheid en billijkheid. De grens ligt daar, waar de opschorting disproportioneel wordt. Dit is geen nauwkeurige toets: een min of meer ruime marge is toelaatbaar.17
Dat op goede gronden gevreesd mag worden dat sprake zal zijn van (niet meer dan) gedeeltelijke niet-nakoming of niet behoorlijke nakoming, zodat lid 2 toepassing vindt, zal veelal uit de eigen stellingen van de schuldenaar voortvloeien. Is dat anders, dan zal dienaangaande op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast rusten zoals volgt uit de wettekst (āIn geval ā¦ā) in verband met de hoofdregel van art. 150 Rv. Uit de tekst van de wet (āvoor zoverā¦ā) kan verder worden afgeleid dat op de schuldenaar die zich beroept op de onzekerheidsexceptie, vervolgens de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat opschorting proportioneel is. Hoewel de beoordeling van de proportionaliteit goeddeels een rechterlijke waardering behelst die zich minder goed leent voor het leveren van bewijs, zal de opschortende schuldenaar voldoende feiten en omstandigheden dienen te stellen omtrent de omvang en de ernst van de gevreesde niet-nakoming door de schuldeiser.18
Tot slot zij opgemerkt dat art. 6:263 BW van regelend recht is.19 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast hiervan, conform de hoofdregel van art. 150 Rv.
Voetnoten
1.
De wet bevat daarover vier schakelbepalingen, te weten art. 6:213 lid 2, art. 6:216, art. 6:261 lid 2 en art. 6:279 lid 1 BW. Zie Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/22; Asser/Sieburgh 6-III 2022/713 en 714.
2.
Asser/Hijma 7-I 2024/571.
3.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 994.
4.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/47; Asser/Hijma 7-I 2024/567.
5.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/46; Olthof, in: T&C BW, art. 6:262 BW, aant. 2 onder c en Asser/Hijma 7-I 2024/567.
6.
HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584, rov. 3.4.2.
7.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/29. Zie bijvoorbeeld: HR 23 februari 20218, ECLI:NL:HR:2018:284, NJ 2018/180, rov. 3.3.4.
8.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 999; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/29; Rb. Rotterdam 16 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY8758, rov. 5.15-5.17. Zie anders Klomp, die stelt dat, in afwijking van de algemene regeling van opschorting, in geval van de onzekerheidsexceptie wel opgave van redenen is vereist: Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:263 BW, aant. 6.
9.
HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088, NJ 2012/43 m.nt. Hijma (Van Mierlo/OGP). Zie daarover: Stolp, āDe kenbaarheid van de opschortingā, MvV 2011, p. 153-160 en Boeve, Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.2 en 5.3. Zie voorts (bijvoorbeeld) Hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9904, rov. 2.7 en Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10138, rov. 5.6 en 5.7.
10.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:52 BW.
11.
Zie Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:89 BW.
12.
HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389, NJ 1998/128 (Van Bommel/Ruijgrok).
13.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/56.
14.
Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, NJ 2014/496 m.nt. Hijma, rov. 3.6 en HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163 m.nt. Asser, rov. 5.6.3.
15.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 199 en 216; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/54.
16.
Olthof, in: T&C BW, art. 6:263 BW, aant. 4.
17.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/57.
18.
Vgl. de noot van Stolp en Wefers Bettink voor Rb. Rotterdam 8 mei 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW5386, Computerrecht 2013/10, onderdeel 21.
19.
Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:263 BW, aant. 4.