Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.4.2.1
4.4.2.1 Behandeling van het pleitbaar standpunt verweer door de strafkamer van de Hoge Raad
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565019:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 november 2001, NJ 2002/221, ECLI:NL:HR:2001:AD4466, r.o. 4.5: “In de hiervoor onder 4.2.2. weergegeven overwegingen van het Hof ligt dan ook zijn met (bedoeld zal zijn: niet, MK) onbegrijpelijk oordeel besloten dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de desbetreffende bedragen niet heeft opgegeven omdat hij zich toen op het standpunt stelde dat hij de (dit woord kan vervallen, MK) die bedragen niet behoefde op te geven.”
HR 13 november 2001, NJ 2002/221, ECLI:NL:HR:2001:AD4466, r.o. 4.3.
Vergelijk de overweging van Hof Arnhem 22 juli 2009, genoemd door A-G Hofstee in r.o. 41 van een conclusie van 4 oktober 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BT7075: “Voorzover zulks nog relevant zou zijn, overweegt het Hof dat het beroep van de verdediging op een pleitbaar standpunt hier niet opgaat omdat verdachte te kwade trouw/frauduleus heeft gehandeld.”.
HR 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596.
HR 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, r.o. 7.3. De strafkamer van de Hoge Raad verwees hierbij naar HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3719 waarin zij dit in r.o. 3.6.4. al eerder had overwogen.
W.E.C.A. Valkenburg en A.A. Feenstra merken in ‘Fiscaal strafrecht’, DD 2012/52, p. 547, naar aanleiding van HR 6 maart 2012 op: “Dat laat overigens nog wel ruimte voor de situatie dat verdachte van meet af aan opzettelijk een pleitbaar standpunt inneemt ten aanzien van zijn (onjuiste) aangifte of het strekkingsvereiste. Dan kan een dergelijk standpunt aan een veroordeling in de weg staan.” A-G Hofstee, conclusie van 9 december 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2838, is in r.o. 25 terughoudender: “Aangenomen dat de Hoge Raad zich niet afwijzend opstelt tegenover het pleitbare standpunt in het fiscale strafrecht (…)”.
HR 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, r.o. 7.3-7.4: “Voorts volgt uit ’s Hofs overwegingen ter verwerping van dit verweer, dat de verdachte dit standpunt niet huldigde ten tijde van het doen van de (…) aangiften, doch dat hij destijds ervan uitging dat die aangiften onjuist waren en hij als een op dit terrein werkzame belastingadviseur ook moet hebben geweten dat die aangiften onjuist waren ingevuld. Aldus volgt uit de feitelijke en niet-onbegrijpelijke vaststellingen van het Hof dat de verdachte niet heeft gehandeld in de veronderstelling dat de wijze waarop de aangiften werden gedaan toelaatbaar was.”
HR 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, r.o. 7.4. io. 7.2.
Valkenburg en Feenstra 2012, p. 546: ”Dit klassieke strafrechtelijke uitgangspunt sluit aan bij de benadering van het opzetbegrip”; De Vries 2012, p. 31; De Bont en Vissers 2014, p. 21.
Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5081. Ook A-G Aben, conclusie van 7 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BQ8596, heeft in r.o. 12.19 overwogen dat niet kon worden gesproken van een pleitbaar standpunt.
M.I. Fedorova, ‘Fiscaal strafrecht’ in: H.J.B. Sackers en P.H.P.H.M.C. van Kempen (red.), Kroniek van het strafrecht 2012, Deventer: Kluwer 2013, p. 179: “Niet wordt beoordeeld of het pleitbaar standpunt, ook objectief gezien, als zodanig kan worden aangemerkt, onafhankelijk van het moment waarop de belastingplichtige dit standpunt heeft ingenomen.”
Het eerste arrest waarin de strafkamer zich over een pleitbaar standpunt verweer heeft uitgelaten is gewezen in 2001. Dit betrof een zaak waarin het hof had vastgesteld dat de verdachte belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist en wilde dat zijn aangifte onjuist was. Het hof had het verweer van de belastingplichtige dat hem ten tijde van het doen van de aangifte een pleitbaar standpunt voor ogen stond niet aannemelijk geacht. De strafkamer van de Hoge Raad heeft in dit arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de verdachte belastingplichtige zich op een standpunt beroept dat hij op moment van het doen van de aangifte niet op het oog had, niet aan de vaststelling van opzet in de weg staat.1 Het pleitbaar standpunt verweer behoeft in deze situatie volgens de strafkamer zelfs geen afzonderlijke weerlegging.2
Uit dit arrest komt naar voren dat de strafkamer van de Hoge Raad er niet vanuit is gegaan dat het pleitbaar standpunt verweer zonder meer tot het ontbreken van opzet leidt. In plaats daarvan heeft de strafkamer vastgehouden aan de criteria die voor de vaststelling van opzet bepalend zijn. Daarbij heeft de strafkamer van de Hoge Raad bij de vaststelling van het opzet geen rol voor het pleitbare standpunt weggelegd gezien. Als er in deze zaak al een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt is geweest, is deze omstandigheid ten tijde van het doen van de aangifte door de verdachte belastingplichtige namelijk niet onderkend en daarmee niet van invloed geweest op zijn wetenschap dat de aangifte (mogelijk) onjuist is en zijn wil om die aangifte onjuist te doen.3
Het zojuist besproken arrest bevat geen aanwijzingen voor de beoordeling van de situatie waarin de verdachte belastingplichtige op het moment van het doen van de aangifte wel een pleitbaar standpunt voor ogen heeft gestaan. Over deze situatie heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich – naar het lijkt ten overvloede – in een arrest uit 2012 uitgelaten.4
In deze zaak ging het om een belastingaangifte waarin het standpunt was ingenomen dat de belastingplichtige, een voetbaltrainer, in het buitenland woonde en derhalve niet binnenlands belastingplichtig was. Zoals in hoofdstuk 2, in paragraaf 2.5.3.2 uiteengezet, leent de vraag waar iemand fiscaal gezien woont zich, naar objectieve maatstaven beoordeeld, bij uitstek voor een pleitbaar standpunt. De strafkamer van de Hoge Raad is de beoordeling van het pleitbaar standpunt verweer begonnen met de overweging dat de rechter in feitelijke instantie bij een dergelijk verweer moet beoordelen of de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij op toelaatbare wijze aangifte had gedaan.5 Uit deze overweging is op te maken dat een belastingplichtige die op het moment van het doen van de aangifte wist of meende te weten dat zijn standpunt pleitbaar was, hoewel hij zich daarmee tegelijkertijd bewust is geweest van de mogelijke onjuistheid van zijn aangifte, niet per definitie moet worden gestraft.6 De strafkamer van de Hoge Raad heeft de omstandigheden waaronder kan worden geoordeeld dat de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij op toelaatbare wijze aangifte heeft gedaan niet verder uitgewerkt. In de volgende paragrafen en in hoofdstuk 6 wordt hierop teruggekomen.
Het pleitbaar standpunt verweer kan volgens de strafkamer van de Hoge Raad echter niet slagen als de rechter heeft vastgesteld dat de verdachte het standpunt niet heeft gehuldigd ten tijde van het doen van de aangifte, maar ervan uit is gegaan dat de aangifte onjuist is.7 In dat geval is het zojuist genoemde redelijkerwijze kunnen en mogen menen op toelaatbare wijze aangifte te doen niet meer relevant, omdat de verdachte niet daadwerkelijk heeft gemeend dat hij op toelaatbare wijze aangifte heeft gedaan. Deze laatstgenoemde situatie bleek zich in deze zaak voor te doen. Met name dankzij tapverslagen was in deze zaak namelijk komen vast te staan dat de adviseur van de belastingplichtige, de verdachte in deze zaak, ten tijde van het doen van de aangifte weliswaar een standpunt over de toepassing van het belastingrecht op het oog had waarover met de inspecteur kon worden gediscussieerd, maar waarvan hij geloofde dat het, zodra de inspecteur met de relevante feiten bekend zou zijn, niet pleitbaar maar gewoonweg kansloos was.8 De verdachte heeft op het moment van het doen van de aangifte dus wel een standpunt voor ogen gehad, maar niet verondersteld dat dat standpunt pleitbaar was.
Ook in deze situatie heeft de strafkamer van de Hoge Raad vastgehouden aan de criteria die voor de vaststelling van opzet bepalend zijn.9 Zoals hiervoor gezegd, leent de woonplaatsvraag zich bij uitstek voor een pleitbaar standpunt. Het hof had nog wel onderzocht of het standpunt pleitbaar was en geoordeeld dat de feitelijke aanknopingspunten voor een woonplaats in het buitenland te gering waren om daarvan te kunnen spreken.10 De strafkamer heeft in deze zaak echter bij de vaststelling van het opzet geen rol voor het pleitbare standpunt gezien. De omstandigheid dat het standpunt naar objectieve maatstaven mogelijk toch wel pleitbaar is, is door de verdachte immers niet onderkend en daarmee niet van invloed geweest op zijn wetenschap dat de aangifte onjuist is en op zijn wil om die aangifte onjuist te doen. De strafkamer van de Hoge Raad heeft zich in het verlengde hiervan ook niet over de invulling van het pleitbaar standpunt begrip uitgelaten.11