Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.2.3
1.2.3 Het bestemmingscriterium en de verkeersopvatting
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489126:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: S.E. Bartels & J.M. Milo, ‘Open normen in het goederenrecht’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 18.
Of er daadwerkelijk verplaatsing plaatsvindt of niet, is hierbij irrelevant. Het kan dus zijn dat een gebouw of werk eruit ziet alsof het bestemd is daar nog tijden te blijven staan, terwijl het in werkelijkheid enkele dagen later verplaatst zal worden. Toch zal het dan kwalificeren als onroerende zaak.
Heyman stelt in dit kader: “Omgekeerd zal naar verkeersopvatting een bouwsel waarvan duidelijk is dat het gemakkelijk en zonder buitensporige kosten kan worden verplaatst, niet als onroerend worden beschouwd, ook niet als eveneens duidelijk is dat het in beginsel een permanente bestemming heeft.” Zie: H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 98.
Zie H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels & J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2000, p. 117.
Opvallend aan het bestemmingscriterium is dat de Hoge Raad de verkeersopvatting als zelfstandige maatstaf voor de beantwoording voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is, expliciet ecarteert:
“De verkeersopvattingen kunnen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van art. 3:4 – niet worden gebezigd als een zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is.”
Wel wordt gesteld dat indien er in een concreet geval twijfel bestaat over de vraag of een gebouw of werk ‘duurzaam verenigd’ is met de grond de verkeersopvatting in aanmerking genomen kan worden voor de invulling van de volgende begrippen: is er sprake van een ‘duurzame’ (1), ‘vereniging’ (2) en is de ‘bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven’ (3) ‘naar buiten kenbaar’ (4).
Dit is mijns inziens opvallend. De twee aanwijzingen die de Hoge Raad formuleerde in het Portacabinarrest ter beantwoording van de vraag of een gebouw of werk naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, hebben met elkaar gemeen dat zij beide ‘naar buiten kenbaar dienen te zijn’. Zowel de bedoeling van de bouwer om het gebouw of werk duurzaam ter plaatse te laten blijven, als die bestemming zelf, dient naar buiten kenbaar te zijn. Beantwoording van de vraag of dit naar buiten kenbaar is geschied aan de hand van de verkeersopvatting.1 Het gaat er immers om hoe het gebouw of werk eruitziet voor een derde die hier langsloopt. Ziet het eruit alsof het daar blijft staan of ziet het eruit alsof het een dezer dagen weer verplaatst wordt?2, 3 Hiermee wordt de verkeersopvatting niet als wettelijke maatstaf gebruikt voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is, maar speelt de verkeersopvatting een cruciale rol bij beantwoording van de vraag of een gebouw of werk duurzaam verenigd is met de grond. Had de Hoge Raad niet kunnen volstaan met de bepaling dat een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd kan zijn doordat deze naar verkeersopvatting naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven? Mijns inziens wel. Volgens Heyman wordt de vraag of een zaak roerend of onroerend is, hierdoor in overeenstemming gebracht met de verkeersopvatting.4