Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.4.2.0:3.4.2.0 Introductie
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.4.2.0
3.4.2.0 Introductie
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS414530:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315 (Rompelman).
HvJ EG 29 februari 1996, nr. C-110/94, V-N 1996, blz. 1396 (INZO).
HvJ EG 15 januari 1998, nr. C-37/95, V-N 1998/29.14 (Ghent Coal).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van de Btw-richtlijn (artikel 9 lid 1 jo. artikel 168 Btw-richtlijn) heeft iedere belastingplichtige recht op aftrek van voorbelasting voor zover de voorbelasting betrekking heeft op goederen en diensten die worden gebruikt voor belaste handelingen.
Dit uitgangspunt in de Btw-richtlijn (destijds: Zesde BTW-Richtlijn) leidde tot de prejudiciële vragen van de Hoge Raad in de zaak Rompelman.1 Het echtpaar Rompelman kocht het toekomstig appartementsrecht op twee gedeeltes van een in aanbouw zijnd gebouw, met als doel om deze gedeeltes na gereedkomen van het gebouw belast met btw te verhuren. De vraag kwam op of het echtpaar de btw die aan hen in rekening was gebracht met betrekking tot deze aankoop in aftrek kon brengen. Het Hof van Justitie oordeelt desgevraagd dat de richtlijn zo moet worden uitgelegd dat de eerste investeringshandeling van Rompelman reeds kan worden aangeduid als economische activiteit in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn en dat Rompelman als gevolg daarvan de btw in aftrek kan brengen mits het voornemen een belaste handeling te gaan verrichten met objectieve gegevens kan worden ondersteund. Het antwoord op de prejudiciële vraag luidt dan ook dat:
“de verkrijging van een vordering tot levering van een toekomstig appartementsrecht in een nog te stichten gebouw, met het oogmerk het gekochte te zijner tijd te verhuren kan worden beschouwd als een economische activiteit in de zin van artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn, en dat deze bepaling zich er niet tegen verzet, dat de belastingdienst verlangt dat de desbetreffende wilsverklaring wordt ondersteund door objectieve gegevens, zoals de omstandigheid dat de ontworpen ruimtes zich specifiek lenen voor commerciële exploitatie”.
De uitspraak geeft vorm en kleur aan de btw-normen ‘belastingplichtige’, ‘economische activiteit’ en ‘gebruik voor belaste handelingen’.
Op deze eerste interpretatie worden andere zaken gestapeld. In het arrest INZO is bepaald, onder verwijzing naar het arrest Rompelman, dat ook recht op aftrek van voorbelasting bestaat voor investeringen wanneer deze investeringen met name kosten voor een rentabiliteitsstudie naar de haalbaarheid van de voorgenomen belaste handeling betreffen en de uitkomst van de studie dusdanig negatief uitpakt dat wordt besloten geen belaste handelingen te gaan verrichten.2 In het arrest Ghent Coal is bepaald, onder verwijzing naar de arresten Rompelman en INZO, dat eveneens recht op aftrek bestaat wanneer (investerings)goederen zijn aangekocht met als voornemen hiermee belaste handelingen te verrichten, maar door overmacht nooit gebruik van deze goederen plaats kan vinden.3
Deze kleine ‘stapel’ arresten toont aan dat het inroepen van reeksen precedenten in prejudiciële beslissingen tot rechtsontwikkeling leidt. Immers, enigszins gechargeerd kan uit deze reeks van drie arresten worden geconcludeerd dat artikel 9 lid 1 en artikel 168 Btw-richtlijn zo moeten worden uitgelegd dat een belastingplichtige recht op aftrek van voorbelasting kan hebben wanneer sprake is van ‘gebruik’ noch van ‘belaste handelingen’, terwijl in deze artikelen bepaald is dat slechts recht op aftrek bestaat wanneer er gebruik is voor belaste handelingen.