Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.4.3
2.4.3 Geen verplichting om te stellen en te beargumenteren dat een standpunt pleitbaar is
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565008:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A.J.H. van Suilen, ‘Rechterlijke toetsing van fiscale boetes’, TFB 2008-3, p. 18.
HR 21 oktober 1992, BNB 1993/8, r.o. 3.2, HR 28 november 2003, BNB 2004/79, ECLI:NL:HR:2003:AN9071, r.o. 6.2.
Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding, Zutphen: Nauta 1965, p. 7: “In beginsel kunnen de rechterlijke werkzaamheden aldus in twee delen worden onderscheiden: enerzijds het vaststellen van de feiten, anderzijds het opsporen van de betekenis van de rechtsregel.”
Hier kan bij worden aangetekend dat de uitspraken en arresten de verantwoording of legitimatie van de uitkomst van het rechtsvindingsproces vormen die niet op zo’n lineaire wijze tot stand hoeft te zijn gekomen als de opbouw van de uitspraken of arresten doet vermoeden. Zie daarvoor J.M.H. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Deventer: Kluwer 2010.
HR 26 november 1997, BNB 1998/29, “Ius curia novit”.
HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6; HR 22 april 1998, BNB 1998/201, r.o. 3.5; HR 2 september 1998, BNB 1998/337, r.o. 3.2; HR 10 maart 1999, BNB 1999/308, r.o. 3.6.1; HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11.
Uit de gepubliceerde processtukken is in ieder geval niet op te maken dat het pleitbaar standpunt verweer is gevoerd. HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5; HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11; HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012: BP3858, r.o. 3.5. In HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad niet expliciet overwogen dat het standpunt pleitbaar was, maar heeft zij overwogen dat opzet en grove schuld ontbraken omdat het standpunt over het belastinggeschil door de rechter in feitelijke instantie was gevolgd.
P.G.M. Jansen, A.O. Lubbers, ‘Over pleitbare standpunten en lichtvaardig handelen’, TFB 1999- 6, p. 6; M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75, onder 4, Lubbers en Poelmann 2007, p. 69, Bruijsten 2012-2, p. 369, Haas 2015, p. 28, 29, A-G Wattel, conclusie van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897, r.o. 9.23.
Anders, naar mijn mening ten onrechte: Rb. Noord-Holland 6 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, r.o. 4.39. Hof Amsterdam heeft de boete alsnog vernietigd bij uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098, r.o. 4.5.6.
HR 3 januari 2001, BNB 2001/193, ECLI:NL:HR:2001:AA9242. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft de beoordeling van de boete in cassatie alsmede de beoordeling of het standpunt van de belastingplichtige pleitbaar is achterwege gelaten, hoewel A-G Wattel voorafgaand aan dit arrest in r.o. 5 en 6 van zijn conclusie van 20 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2001:AA9242, had geconcludeerd dat de boete ambtshalve moest worden vernietigd omdat de belastingplichtige een pleitbaar standpunt had. In deze zaak lijkt de boete voor het hof reeds buiten geschil.
HR 2 maart 1994, BNB 1994/153, r.o. 3.3. Dit uitgangspunt is thans gecodificeerd in art. 24a lid 2 AWR, art. 26b lid 2 AWR, art. 27h lid 2 AWR en art. 28 lid 6 AWR.
HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5; HR 2 maart 2012, BNB 2012/123, ECLI:NL:HR:2012:BP3858, r.o. 3.5. In HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3, heeft de belastingkamer van de Hoge Raad niet expliciet overwogen dat het standpunt pleitbaar was, maar heeft zij overwogen dat opzet en grove schuld ontbraken omdat het standpunt over het belastinggeschil door de rechter in feitelijke instantie was gevolgd.
Hof Arnhem 10 december 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG9274, r.o. 4.9.
Uit de gepubliceerde processtukken is in ieder geval niet op te maken dat het pleitbaar standpunt verweer is gevoerd. HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11; HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3.
Vergelijk HR 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4-4.5; HR 22 april 1998, BNB 1998/201, r.o. 3.5; HR 2 september 1998, BNB 1998/337, r.o. 3.2. In deze arresten heeft de belastingkamer van de Hoge Raad verwezen in verband met de vaststelling van de feiten die mogelijk aan een pleitbaar standpunt ten grondslag lagen. In deze zaken is het pleitbaar standpunt verweer in de cassatiemiddelen of -klachten te lezen.
Maar het gebeurt dus wel. Zie bijvoorbeeld Rb. ’s-Gravenhage 27 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM7395, r.o. 2.3.7-2.3.9. Hof ’s-Gravenhage volgde in hoger beroep het standpunt van de belastingplichtige in het belastinggeschil alsnog bij uitspraak van 27 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0160.
Anders, naar mijn mening ten onrechte: Hof Arnhem 19 april 1996, ECLI:NL:GHARN:1996:AA4658, r.o. 4.4. (later op een ander punt gecasseerd); Rb. ’s-Gravenhage 17 april 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9795, r.o. 4.9; Rb. ’s-Gravenhage 1 september 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BN7692, r.o. 4.2; Rb. ’s-Gravenhage 22 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11083, r.o. 12; Rb. Noord-Holland 6 november 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11321, r.o. 4.39. Hof Amsterdam heeft in een uitspraak van 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4098 in r.o. 4.5.6 de door Rechtbank Haarlem in stand gelaten boete echter alsnog vernietigd.
Zie ter illustratie Hof ’s-Gravenhage 17 maart 1987, FED 1987/360, r.o. 7.
In belastingprocedures, met inbegrip van de boeteprocedures, bepalen de partijen, de belastingplichtige en de inspecteur, de omvang van het geschil.1 De belastingrechter beslist uitsluitend over het geschil dat hem is voorgelegd.2
Het zojuist gemaakte onderscheid tussen de vaststelling van de feiten en de interpretatie en toepassing van het recht speelt hierbij een rol.3,4 De vaststelling van de feiten vindt in beginsel plaats aan de hand van datgene wat partijen hebben gesteld, weersproken en bewezen. Bij interpretatie en toepassing van het recht wordt de rechter echter niet beperkt door de interpretatie of toepassing die een van beide of zelfs beide partijen voor ogen staat.5 De rechter bepaalt uiteindelijk hoe het recht wordt geïnterpreteerd en toegepast. Hierbij is niet van belang of en welke argumenten daadwerkelijk door de partijen zijn aangevoerd, maar of en welke argumenten in de ogen van de rechter kunnen worden aangevoerd.
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de vaststelling of een standpunt pleitbaar is. Dit is op te maken uit de omstandigheid dat de belastingkamer van de Hoge Raad regelmatig door middel van de overweging dat voor het standpunt “zodanige argumenten zijn aan te voeren” heeft aangegeven dat een standpunt pleitbaar is.6 Voorts leid ik dit af uit een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad uit eigen beweging, zonder dat in cassatie en in een aantal gevallen ook zonder dat er in feitelijke instantie een pleitbaar standpunt verweer was gevoerd, heeft geoordeeld dat het in de aangifte verwerkte standpunt pleitbaar is.7
De belastingplichtige hoeft derhalve strikt gezien niet te stellen en te beargumenteren dat hij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen,8 zoals hij strikt genomen ook niet hoeft te stellen en te beargumenteren hoe het recht moet worden geïnterpreteerd en toegepast.9
Dit brengt echter niet mee dat een belastingplichtige er zonder meer van uit kan gaan dat de rechter altijd uit eigen beweging beoordeelt of het ingenomen standpunt pleitbaar is. In de eerste plaats bepalen in belastingprocedures zoals hiervoor opgemerkt partijen de omvang van het geschil. Ook bij de interpretatie en toepassing van het recht moet de belastingrechter binnen de grenzen van het geschil blijven. Uit een arrest uit 2001 is op te maken dat de belastingkamer van de Hoge Raad niet uit eigen beweging oordeelt dat een standpunt pleitbaar is, als de boete niet in geschil is.10 Omdat in belastingprocedures sinds halverwege de jaren ’90 van de vorige eeuw de boete in beginsel wel steeds in geschil is, brengt dit arrest echter praktisch geen beperking mee.11 In de tweede plaats zal de rechter aanknopingspunten moeten hebben om op eigen initiatief te beoordelen of het standpunt pleitbaar is.
De meeste arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad uit eigen beweging heeft geoordeeld dat van een pleitbaar standpunt kon worden gesproken, betroffen zaken waarin het standpunt van de belastingplichtige over het belastinggeschil door de rechter in de voorafgaande feitelijke instantie, het hof, was gevolgd.12 Hier heeft de voorafgaande hofuitspraak voor de belastingkamer van de Hoge Raad de aanleiding gevormd voor het oordeel dat het standpunt pleitbaar is. Op grond van dezelfde redenering kan een voorafgaande rechtbankuitspraak voor het hof of de Hoge Raad een reden vormen om uit eigen beweging te beslissen dat het standpunt pleitbaar is.13
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft daarnaast ook geheel op eigen initiatief tot een pleitbaar standpunt geconcludeerd in zaken waaraan geen hofuitspraak is voorafgegaan waarin het standpunt van de belastingplichtige over het belastinggeschil is gevolgd. Ik veronderstel dat de belastingkamer in die zaken in het kader van de beoordeling van het belastinggeschil in cassatie voldoende argumenten heeft gezien om het door de belastingplichtige ingenomen standpunt als pleitbaar aan te merken.14 Op dezelfde wijze kan een hof of een rechtbank aanleiding vinden om uit eigen beweging te concluderen dat de belastingplichtige een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Het op eigen initiatief beoordelen of een standpunt pleitbaar is, ligt echter niet voor de hand als de feiten die aan het standpunt ten grondslag hebben gelegen, in het kader van de beslechting van het belastinggeschil niet vast zijn komen te staan.15 Op deze situatie wordt in paragraaf 2.6.1 teruggekomen. Ook in de situatie waarin de belastingplichtige zijn standpunt in het belastinggeschil reeds heeft prijsgegeven en uitsluitend over het boetegeschil procedeert, is de kans minder groot dat de rechter uit eigen beweging concludeert dat het ingenomen standpunt pleitbaar is. Als hij geen of weinig zicht heeft op het belastinggeschil, heeft de belastingrechter immers ook minder gelegenheid om aanknopingspunten te onderkennen ten behoeve van het oordeel dat het standpunt pleitbaar is.
Het is derhalve voor een belastingplichtige niet raadzaam erop te vertrouwen dat de rechter op eigen initiatief wel zal beoordelen dat het door hem ingenomen standpunt pleitbaar is.16 Echter, uit de omstandigheid dat een belastingplichtige niet of pas laat, in hoger beroep of in cassatie, heeft gesteld of beargumenteerd dat hij een pleitbaar standpunt in zijn aangifte heeft verwerkt, kan niet worden afgeleid dat er geen pleitbaar standpunt is.17 Het gaat er immers uitsluitend om of en welke argumenten in de ogen van de rechter kunnen worden aangevoerd, niet of de argumenten ook daadwerkelijk zijn aangevoerd.18
In de inleiding is opgemerkt dat het pleitbaar standpunt begrip naar mijn mening ook relevant moet worden in het fiscale strafrecht. In aansluiting op hetgeen zojuist is besproken ga ik ervan uit dat ook de strafrechter uit eigen beweging, bijvoorbeeld door kennisname van een beslissing van een belastingrechter over het belastinggeschil, tot de conclusie kan komen dat het standpunt pleitbaar is.