Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.3.2:1.3.2 Het WKK-arrest
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.3.2
1.3.2 Het WKK-arrest
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS490419:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5469.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 2000 werd in een kassencomplex een warmtekrachtkoppelingsinstallatie geplaatst. Dit is een installatie die zowel elektriciteit opwekt als warmte genereert. Een zuigmotor drijft een dynamo aan, die elektriciteit opwekt. Het draaien van de motor genereert warmte, welke wordt afgestaan aan koelwater of rechtstreeks via buizen de kassen in wordt geleid. De opgewekte elektriciteit wordt middels een transformatorhuisje terug geleverd aan het lichtnet en verkocht aan derden. De warmtekrachtkoppelingsinstallatie was in een aparte technische ruimte in het kassencomplex geplaatst en zat met grote bouten aan de vloer bevestigd, zodat deze niet ‘wegwandelt’ als de apparatuur draait. De installatie had een stalen ombouw om geluidsoverlast te beperken.
In het kader van een sale-and-lease-backconstructie vond begin 2009 een levering plaats met betrekking tot de warmtekrachtkoppelingsinstallatie. Deze verkrijging leidde tot heffing van overdrachtsbelasting krachtens het bepaalde in art. 2 lid 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970, aangezien de installatie als onroerende zaak werd aangemerkt. Toen belanghebbende hiertegen bezwaar maakte met de stelling dat de installatie geen onroerende zaak is, ontstond de vraag hoe de warmtekrachtkoppelingsinstallatie gekwalificeerd dient te worden.
Onder verwijzing naar het Portacabinarrest oordeelde de rechtbank dat de warmtekrachtkoppelingsinstallatie als onroerend moet worden aangemerkt, nu deze naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij werd overwogen:
“Dat de mogelijkheid bestaat om de WKK te verplaatsen, bijvoorbeeld ten behoeve van periodiek onderhoud, en/of te verwijderen zonder dat beschadiging van betekenis aan de WKK wordt toegebracht, doet niet ter zake voor de toepassing van het criterium van de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven. Voor zover de bouwer van de WKK de bedoeling had om de WKK niet duurzaam met de grond te verenigen, kan met die bedoeling geen rekening worden gehouden nu zij niet kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van de WKK.”
Vervolgens overweegt de rechtbank:
“Gelet op hetgeen onder 2.11 tot en met 2.13 is overwogen is de WKK onroerend. Aan de toepassing van artikel 3:4 van het BW komt de rechtbank dan niet toe of het zou moeten zijn met betrekking tot de vraag of het onder 2.3 genoemde transformatorhuisje een bestanddeel van de WKK is.”
Ten aanzien van het transformatorhuisje oordeelt de rechtbank dat, aangezien deze noodzakelijk is voor het functioneren van de installatie, de warmtekrachtkoppelingsinstallatie bij het ontbreken van het transformatorhuisje als onvoltooid moet worden beschouwd en op die grond op basis van art. 3:4 lid 1 BW als bestanddeel van de installatie moet worden aangemerkt. “Derhalve is het transformatorhuisje onroerend, zo het niet reeds ingevolge artikel 3:3 van het BW onroerend is”, aldus de rechtbank.
Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in. Ook het hof kwam tot het oordeel dat de warmtekrachtkoppelingsinstallatie als onroerende zaak moet worden aangemerkt:
"Blijkens de vaststaande feiten en de in het geding gebrachte foto’s, tekeningen en omschrijvingen van de WKK maakt zij deel uit van het complex waarin belanghebbende haar onderneming ter plaatse exploiteert en vormt zij zowel visueel als functioneel een geheel met de overige onderdelen van het complex. De WKK is voorts aangesloten op het elektriciteitsnet.”
Op grond hiervan was het hof van oordeel dat de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en dat die bestemming naar buiten toe kenbaar was. Vervolgens overweegt het hof nog:
“Op grond van het hiervoor overwogene is het Hof van oordeel dat de WKK moet worden aangemerkt als hetzij een zelfstandige onroerende zaak dan wel een bestanddeel van het gebouw waarin de WKK is geplaatst, in de zin van artikel 3:3 BW. Derhalve laat het Hof de vraag of de WKK eveneens kwalificeert als een onroerende zaak in de zin van artikel 3:4 BW buiten behandeling.”
Tegen de uitspraak van het hof werd vervolgens cassatie ingesteld. De Hoge Raad bepaalde dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd was en stelde dat – gelet op de verwijzing van het hof naar art. 3:3 BW en de omstandigheid dat het hof art. 3:4 BW vervolgens buiten behandeling heeft gelaten – in dit oordeel besloten ligt dat de warmtekrachtkoppelingsinstallatie duurzaam met de grond is verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met het gebouw waarin de warmtekrachtkoppelingsinstallatie is geplaatst. In het licht van de in het Portacabinarrest neergelegde maatstaven geeft dit oordeel van het hof, volgens de Hoge Raad, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Dit was niet de eerste keer dat de Hoge Raad natrekking van een installatie op grond van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 j° 5:20 lid 1 sub e BW aannam. In 2005 werd de vraag voorgelegd of een grondreinigingsinstallatie een onroerende zaak was en derhalve nagetrokken werd door de eigendom van de grond.1