Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.4.5:II.6.4.4.5 Verlening van krediet bij vestiging beperkte rechten
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.4.5
II.6.4.4.5 Verlening van krediet bij vestiging beperkte rechten
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS500283:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de maatstaf van heffing bij beperkte rechten: W.A.P. Nieuwehuizen, ‘Erfpacht voor onbepaalde tijd een btw-levering … of toch niet?’, NTFR 2014/2980; B.G. van Zadelhoff, ‘Beperkte rechten voor onbepaalde tijd en BTW’, WFR 2015/212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Opvallend is dat de vestiging van bepaalde beperkte rechten op onroerend goed in het stelsel van de Wet OB 1968 geen kredietverlening lijkt te kunnen impliceren, terwijl de gelijkenissen met huurkoop en financiële leasing onmiskenbaar zijn. In beide gevallen kan voor de heffing van omzetbelasting immers sprake zijn van de levering van een goed zonder dat privaatrechtelijk eigendom wordt overgedragen. In het geval van beperkte rechten is dat ofwel rechtstreeks het geval op basis van artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet OB 1968 of anders op grond van de fictie in artikel 3, lid 2,Wet OB 1968. Tevens is in beide gevallen sprake van een in de tijd gespreide betaling. Anders dan bij financiële leasing moet de periodieke betalingsverplichting bij beperkte rechten echter op grond van artikel 5 Uitvoeringsbesluit OB 1968 contant worden gemaakt. In Bijlage A bij het Uitvoeringsbesluit OB 1968 is hiervoor een berekeningsmethode voorgeschreven. De aldus contant gemaakte waarde van de periodieke betalingsverplichting wordt vervolgens geacht de waarde van het beperkte recht te zijn en vormt de maatstaf van heffing (zie ook artikel 8, lid 5, onderdelen b en c, Wet OB 1968). In de context van deze regeling ligt het niet voor de hand kredietverlening door de uitgever van het beperkte recht aan te nemen. Daar doet niet aan af dat het twijfelachtig is of de wijze van vaststellen van de vergoeding bij beperkte rechten op onroerend goed in de Nederlandse regeling een toegelaten invulling van artikel 73 e.v. Btw-richtlijn is, waarin geen vergelijkbaar waarderingsvoorschrift is opgenomen.1