Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.3
III.5.2.3 Tussenconclusie: analyse van het gebruik van het juridische concept menselijke waardigheid
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450806:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T. Geddert-Steinacher, Menschenwürde als Verfassungsbegriff (diss. Tübingen), Berlijn: Duncker & Humblot 1990, p. 22.
P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 616.
Vgl. C. McCrudden, ‘Human Dignity and Judicial Interpretation of Human Rights’, EJIL 2008, 4, p. 723 en P.G. Caroza, ‘Human Dignity’, in: D. Shelton (ed.), The OxfordHandbook on International Human Rights Law, Oxford: Oxford University Press 2013, p. 354-356.
Vgl. M.D. Goodman, ‘Human Dignity in Supreme Court Constitutional Jurisprudence’, Neb. L. Rev. 2006, 3, p. 789.
Vgl. P. Unruh, Der Verfassungsbegriff des Grundgesetzes, Tübingen: Mohr Siebeck 2002, p. 226 en P. Tiedemann, Menschenwürde als Rechtsbegriff, Berlijn: Berliner Wissenschaft Verlag 2012, p. 243 e.v.
Vgl. M.D. Goodman, ‘Human Dignity in Supreme Court Constitutional Jurisprudence’, Neb. L. Rev. 2006, 3, p. 752.
P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Four Concepts of Security – A Human Rights Perspective’, HRLR 2013, 4.
T. Hurka, ‘Why Value Autonomy’, Social Theory and Practice 1987, 3, p. 361-382.
Hierboven zijn tientallen zaken van het HRC, het EHRM en het BVerfG besproken waarin de term ‘menselijke waardigheid’ (human dignity, Menschenwürde) werd gebruikt. Voor deze drie instanties is gekozen omdat de menselijke waardigheid op het eerste gezicht in het IVBPR, het EVRM en de Duitse Grondwet een andere functie vervult. Ondanks dit verschil in functies vallen voornamelijk de overeenkomsten van het gebruik van het concept in de rechtspraak op. Op de overeenkomsten ga ik in het vervolg van deze paragraaf in. Eerst volgen hieronder enkele algemene opmerkingen. De zaken bij het HRC zijn, ten opzichte van het EHRM en het BVerfG, over het algemeen van een heel andere orde wat betreft de ernst van de inbreuk op de menselijke waardigheid. Dat in die zaken de menselijke waardigheid is geschonden, is vaak evident. Aan de andere kant van het spectrum van het gebruik van de menselijke waardigheid staat het BVerfG. Het Duitse constitutionele Hof bezigt het concept vaak. Geddert-Steinacher spreekt van een open begrip, waaronder niet een bepaald aspect van het mens-zijn valt maar het hele scala van menselijke gedragingen en ervaringen.1 Allerlei onderdelen van het recht (zoals strafvorderlijke rechten, penitentiaire beginselen en het sociale zekerheidstelsel) zijn op de menselijke waardigheid gebaseerd en andere mensenrechten (zoals privacy, geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke ontwikkeling) worden veelvuldig in verband gebracht met de menselijke waardigheid. De vraag rijst of de menselijke waardigheid nog zelfstandige betekenis heeft of alleen een paraplu is waarop het gehele recht, of althans belangrijke delen, zijn gebaseerd. Voor het Duitse recht is het niet verwonderlijk dat Tiedemann een beperktere toepassing van het begrip bepleit.2 De inflatie van het gebruik van waardigheid doet de waarde van het concept immers afnemen. Toch denk ik dat uit de besproken rechtspraak van verschillende instanties bepaalde kernonderdelen uit het gebruik van het concept menselijke waardigheid zijn te distilleren. Hieronder analyseer ik de rechtspraak van de verschillende instanties om het juridische concept van de menselijke waardigheid een duidelijkere inhoud te geven, in het bijzonder als ijkpunt voor de beoordeling van de inzet van opsporingsmethoden.
Ik concludeer dat de menselijke waardigheid in de rechtspraak in de kern drie elementen3 bevat. Het gaat om intrinsieke eer,4autonomie5 en gelijkheid.6 Deze indeling komt overeen met de analyse van het filosofische begrip menselijke waardigheid in een verbod op vernederende behandelingen en het beschermen en bevorderen van de autonomie (zie paragraaf 1.2 van dit hoofdstuk). Respect voor eer omvat de elementen gelijkheid en veiligheid, terwijl ruimte voor autonomie (logischerwijze) gelijk is aan het onderdeel autonomie. Wat betreft het juridische en filosofische onderdeel ‘autonomie’ is dat evident. De onderdelen gelijkheid en intrinsieke eer vallen onder het verbod op vernederende behandelingen. Een mens behandelen die niet overeenkomt met de gelijke waardigheid die hem als mens toekomt, is vernederend. Ook de aantasting van de persoonlijke veiligheid – het toebrengen van fysiek en/of geestelijk letsel – is vernederend. Hieronder worden de drie oderdelen van het juridische concept nader uitgewerkt.
Alle drie de onderdelen bevatten zowel een onthoudings- als een zorgplicht. Wat betreft het onderdeel veiligheid moet de staat zich enerzijds onthouden van het ten onrechte toebrengen van letsel aan burgers. Aan de andere kant moet de staat optreden opdat de veiligheid van burgers wordt bevorderd en opdat schendingen worden onderzocht. Deze twee onderdelen komen overeen met twee van de vier veiligheidsconcepten die Van Kempen onderscheidt: namelijk de negatieve, individuele bescherming tegen staatsoptreden en de positieve verplichting om de veiligheid van individuen te beschermen.7 Voor het onderdeel autonomie gelden dezelfde twee categorieen. Het onderdeel autonomie bevat zowel een onafhankelijksheidsprincipe als een agencyprincipe.8 De staat mag de beslissingsruimte van de burger om zijn leven zelfstandig te bepalen niet te veel beperken. De burger moet onafhankelijk van anderen zijn keuze kunnen maken. Daarnaast moeten burgers de kans krijgen hun menselijke vermogens te ontwikkelen zodat zij de capaciteiten hebben om een beredeneerde keuze te maken. Het gaat hierbij dus niet om de hoeveelheid keuzes die iemand heeft, maar om het vermogen om een beargumenteerde keuze te maken. De waardigheid van de mens wordt derhalve gerespecteerd als hij niet wordt vernederd door hem (1) geen onnodige schade toe te brengen en (2) hij op gelijke wijze bij gelijke omstandigheden wordt behandeld en (3) hij onafhankelijke en beredeneerde keuzes mag en kan maken. Deze drie onderdelen, die ik gelijkheid, (persoonlijke) veiligheid en autonomie noem, worden hieronder uitgewerkt. Bij het onderdeel gelijkheid moet de staat burgers zoveel mogelijk gelijk behandelen, terwijl gelijke mogelijkheden ook moeten worden bevorderd. Zo komen elke burger in beginsel dezelfde rechten toe en moet de staat de gelijke behandeling van bijvoorbeeld vrouwen en mindervaliden bevorderen. Dit aspect wordt als laatste behandeld omdat het voor de toepassing van opsporingsmethoden eigenlijk alleen procedurele randvoorwaarden schept. Overigens zijn de verschillende onderdelen moeilijk van elkaar los te koppelen. Informatieverkrijging door marteling is bijvoorbeeld zowel een aantasting van de intrinsieke eer als de autonomie. De intrinsieke eer wordt geschaad doordat fysiek letsel wordt toegebracht en de autonomie wordt beperkt doordat tegen de wil informatie wordt vergaard.
III.5.2.3.1 Het onderdeel intrinsieke eerIII.5.2.3.2 Het onderdeel autonomieIII.5.2.3.3 Het onderdeel gelijkheid