Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.2
III.7.2 Het nemo-teneturbeginsel als juridisch concept in de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450817:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 29 april 2002, NJCM Bulletin 2002, 7, r.o. 65, m.nt. Myjer (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 10 juni 2010, NJCM Bulletin, 2010, 8, r.o. 135, m.nt. Tydeman-Yousef (Jehova’s getuigen Moskou vs. Rusland) en J. Gerards, EVRM:Algemene beginselen, Den Haag: SDU uitgevers 2011, p. 45 en P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 78-79.
P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Her(er)kenning van de verdachte als individu: Over “menselijke waardigheid” als bruikbare notie’, in: A.M. van Kalmthout, T. Kooijmans & H. Moors (red.), Mensbeeld, beeldvorming en mensenrechten, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 82.
In de vorige paragraaf zijn de theoretische rechtsgronden van het nemo-teneturbeginsel besproken. Daarbij zijn vier rechtsgronden onderscheiden, te weten de menselijke waardigheid, betrouwbaarheid van het bewijs, verbod op ongeoorloofde dwang en procesautonomie. Volgens mij beschermt het beginsel de verdachte tegen ongeoorloofde opsporingsmethoden zodat ten eerste de betrouwbaarheid van verklaringen niet wordt aangetast en ten tweede zodat de verdachte onafhankelijk en autonoom zijn proceshouding kan bepalen. In deze paragraaf wordt besproken welke van de vier hierboven besproken rechtsgronden het EHRM hanteert om tot een schending van het nemo-teneturbeginsel in een concrete zaak te komen. Hiermee wordt een antwoord geformuleerd op de twee deelvraag: op welke wijze wordt het nemo-teneturbeginsel door rechtsprekende instanties gebruikt? Als rechtsprekende instanties worden voor het EHRM (in paragraaf 2) en de Hoge Raad (in paragraaf 3) gekozen. De keuze is op deze twee instanties gevallen omdat beide directe invloed hebben op het Nederlandse rechtssysteem. Daarnaast heeft het EHRM in verschillende arresten, waaronder een aantal van de Grote Kamer, een uitgekristalliseerde visie op het beginsel gepresenteerd waarnaar de Hoge Raad in zijn rechtspraak steevast teruggrijpt. Verder zijn de arresten van het EHRM vaak uitvoerig gemotiveerd zodat duidelijkere inzichten over de rechtsgronden van het nemo-teneturbeginsel worden verwacht. Als laatste kan de rechtspraak van de Hoge Raad natuurlijk niet ontbreken omdat hij de EHRM rechtspraak uitlegt en vooral toepast voor het Nederlandse straf(proces)recht. Door de rechtspraak van beide instanties onafhankelijk van elkaar te analyseren, kan vervolgens worden beoordeeld of de Hoge Raad het nemo-teneturbeginsel op dezelfde wijze uitlegt en toepast als het EHRM. Hieronder volgt eerst de rechtspraak van het EHRM, in de volgende paragraaf volgt de rechtspraak van de Hoge Raad.
Daarbij merk ik als eerste op dat de menselijke waardigheid geen expliciete rol speelt in de rechtspraak van het EHRM over het nemo-teneturbeginsel. Het EHRM baseert de kern van de rechten uit het EVRM op de menselijke waardigheid (en vrijheid).1 Verder is het EHRM erg terughoudend om de notie van de menselijke waardigheid te gebruiken en ‘negeert het deze notie volledig bij de uitleg en toepassing van eerlijk-procesrechten’.2 In hoofdstuk 5 werd de rechtspraak van het EHRM op dit gebied geanalyseerd en van vele voorbeelden voorzien. Het EHRM gebruikt de term menselijke waardigheid voornamelijk bij artikel 3 EVRM wanneer de verdachte op fysieke of psychische wijze wordt vernederd. In de rechtspraak over het nemo-teneturbeginsel komt de term niet voor. Hieronder worden daarom achtereenvolgens rechtspraak over de overige drie rechtsgronden – te weten betrouwbaarheid van het bewijs, het pressieverbod en de procesautonomie – besproken.
III.7.2.1 Betrouwbaarheid van het bewijsIII.7.2.2 Ongeoorloofde dwangIII.7.2.3 ProcesautonomieIII.7.2.4 Conclusie: Het toetsingskader van het nemo-teneturbeginsel