Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.1:III.5.4.1 IJkpunt intrinsieke eer
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.1
III.5.4.1 IJkpunt intrinsieke eer
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454374:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten eerste mag de afname van de GKT geen vernederende behandeling opleveren. Vernederende behandelingen zijn gedragingen die de intrinsieke eer van de verdachte aantast, onder andere gedragingen die gevoelens van angst of inferioriteit oproepen. Hierbij moet aan ongeoorloofde handelingen worden gedacht die de lichamelijke en geestelijke integriteit van de verdachte schenden. In beginsel is de enkele afname van de GKT niet vernederend en roept de afname geen gevoelens van angst en inferioriteit op. Een EEG (of een fysiologische methode) is een normale onderzoeksmethode in de neurologie en -psychologie en geneeskunde. Het verkrijgen van het biologische spoor is als zodanig dus niet vernederend. Dat de verdachte wordt geconfronteerd met details van de plaats delict maakt ook niet dat de methode vernederend is. Het confronteren van de verdachte met daderkennis of andere informatie is een gebruikelijke methode om de verdachte te bewegen om te verklaren of om zijn verklaring te weerleggen of staven. Het confronteren met (naakte) feiten zonder dat daarmee ongeoorloofde vormen van dwang worden gebruikt, zoals bij (neuro)geheugendetectie, is geen aantasting van de lichamelijke of geestelijke integriteit en roept geen angstige of inferieure gevoelens op. Daarnaast gebeurt hetzelfde (al eeuwenlang) bij het verhoor en op het onderzoek ter terechtzitting en dat wordt in de rechtspraak niet als schending van het verbod op vernederende behandelingen gezien. Met andere woorden, de gebruikte methoden – zowel de EEG als de confrontatie met feiten van het delict – zijn algemeen geaccepteerde werkwijzen. De methode van neurogeheugendetectie als opsporingsmethode is derhalve niet vernederend. Dit laat echter onverlet dat de wijze van afname mogelijk wel de intrinsieke eer schendt. Hieronder worden daarom achtereenvolgens de lichamelijke en geestelijke integriteit bij het afnemen van de GKT nader beoordeeld in het licht van het verkregen cognitieve spoor en de fixatie van de verdachte.
De afname door middel van volledige fixatie van de verdachte levert mijns inziens wel een inbreuk maar geen schending van de lichamelijke integriteit op. Gedurende ongeveer één uur worden gefixeerd op een stoel is natuurlijk onprettig en een inbreuk op de bewegingsvrijheid en de lichamelijke integriteit. De GKT is, vergeleken met alle bestaande opsporingsmethoden die het lichaam van de verdachte als onderzoeksobject nemen, de methode die een van de langste afnametijden kent. Maar een verhoor, waarbij de verdacht is geboeid, kan langer duren en daardoor wordt het verhoor niet direct onrechtmatig. Daarnaast loopt de verdachte door fixatie en afname van een EEG normaliter geen letsel op. Het is dus een niet-gewelddadige behandeling en als zodanig niet mensonwaardig. Verder is het fixeren met als doel het kunnen afnemen van een opsporingsmethode mijns inziens niet vernederend. Hierbij kan de verdachte voor ongeveer een uur zichzelf niet bewegen maar daarmee wordt geen niet-anders geopenbaarde informatie van en over de verdachte verkregen.
Het kernpunt van (neuro)geheugendetectie is wat mij betreft ook niet de (algemeen geaccepteerde) registratiemethode of de inbreuk op de lichamelijke integriteit en de bewegingsvrijheid. (Neuro)geheugendetectie is een potentiële vervanger van een verhoor. Tot op heden kunnen de autoriteiten niet op andere wijze geopenbaarde daderkennis enkel verkrijgen als de verdachte spreekt. (Neuro)geheugendetectie biedt een (toekomstige) tweede optie. Mogelijk dat dus niet de onderzoeksmethode, maar het feit dat informatie direct uit de hersenen, het geheugen worden gehaald bij de verdachte inferieure of angstige gevoelens oplevert. Met andere woorden, levert het verkrijgen van het cognitieve spoor een vernederende behandeling op? Op verschillende punten kan het verkrijgen van de informatie uit het geheugen van de verdachte worden beoordeeld. Wordt een algemeen beeld van de verdachte verkregen of slechts een beperkte hoeveelheid aan informatie? Is het voor de beoordeling in het licht van het recht op respect voor de menselijke waardigheid van belang dat de informatie ‘direct’ uit de hersenen, als bron van informatie, wordt gehaald? Als laatste, hoe moet het feit worden beoordeeld dat de verdachte hiermee informatie prijsgeeft die, als de informatie niet op andere wijze is geopenbaard, enkel in zijn hersenen ligt opgeslagen?
III.5.4.1.1 Het cognitieve spoor en de hoeveelheid informatieIII.5.4.1.2 Het cognitieve spoor en de bron van informatieIII.5.4.1.3 Het cognitieve spoor en niet-anders geopenbaarde informatie