Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.7:2.2.7 Eerste, gereedste, eenvoudigste en gelijkdragendste middel
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.7
2.2.7 Eerste, gereedste, eenvoudigste en gelijkdragendste middel
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300498:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A. Kluit, Historie der Hollandsche Staatsregering tot het jaar 1795, deel IV, Amsterdam: 1805, p. 160.
Cnossen 2005, p. 3. Cnossen 1977, p. 1-2 en 119. Terra 1996, p. 2. Hofstra 2002, p. 86. Zie ook: Kamerstukken II 1996/97, 25 000, nr. 1, p. 27. Anno 1991 bedragen de perceptiekosten van de accijnzen 0,65% van de opbrengsten tegen 1,25% van alle belasting samen . Handelingen II 1990/91, 21 februari 1991, p. 53-3065 rk.
Hofstra-Niessen 2002, p. 86.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van oudsher worden de accijnzen aangemerkt als ‘het eerste, gereedste, eenvoudigste, en gelijkdragendste middel’.1 Accijnzen voldoen aan de vereisten van doelmatige belastingheffing: goedgekozen grondslagen, eenvoudig te identificeren, de verhandelde volumes omvangrijk, het aantal substituten beperkt, substantiële opbrengsten, goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, beperkte aantallen belastingplichtigen, lage perceptiekosten, maar niet: meetbare gedragseffecten. Zij beantwoorden daarmee aan het beginsel van de optimale realisatie. Het bestuur van de accijnzen is eenvoudiger en goedkoper dan dat van andere belastingen.2
Degenen die de accijnzen dragen (dat wil zeggen: in hun portemonnee voelen), dragen geen administratieplichten, doen geen aangiften, vullen geen formulieren in en komen niet in de verleiding of gelegenheid een verkeerde teruggaaf te declareren. Er bestaat geen verplichting de accijns zichtbaar aan de afnemer te factureren, boekenonderzoeken bij de dragers zijn niet nodig en er kunnen geen achterstanden bij de heffing ontstaan. De belastingbetaler heeft een passieve rol. Hofstra-Niessen (2002) stelt vast, dat tariefsverhogingen van reeds bestaande accijnzen, op overwegingen van volksgezondheid (alcohol en tabak), dan wel energiebeleid of milieubescherming (energieproducten) de fiscus nauwelijks extra werk bezorgen en gaan zelfs zover te stellen, dat gegeven de veelal eenvoudige heffingstechniek, tegen nieuwe accijnzen bij voorbaat geen bezwaar behoeft te worden gemaakt3!