Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.1.1
4.1.1 De aanloop naar de interne markt
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305291:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 5 oktober 1995, nr. C-125/94, Aprile srl, in liquidatie vs. Amministrazione delle finanze dello stato, Jur. 1995, p. I-02919, r.o. 32.
HvJ EG 5 mei 1982, nr. 15/81, Gaston Schul Douane Expediteur BV (Gaston Schul I) vs. Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Roosendaal, Jur. 1982, p. 1437-1441, r.o. 33.
Art. 3 lid 1 onderdeel a en onderdeel c EG, uitgewerkt in art. 14 EG en de titels I, III en deels IV (art. 61, onderdeel a EG), alsmede de art. 94 en 95 van het derde deel van het EG-verdrag.
Art. 3 lid 1 onderdeel g EG, uitgewerkt in art. 12 EG en titel VI van het derde deel van het EGverdrag.
Art. 3 lid 1 onderdeel b EG, uitgewerkt in titel IX van het derde deel van het EG-Verdrag.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 9 februari 1982, nr. 270/80, Polydor Ltd. en RSO Records Inc. vs. Harlequin Record Shops Ltd. en Simons Records Ltd. (vrij verkeer van grammofoonplaten – auteursrechten), Jur. 1982 p. 329-351, r.o. 16-21.
Art. 14 EG en art. 93 EG.
Op basis van art. 2 en art. 3 EG.
Zie: HvJ EG 9 september 2004, nr. C-72/03, Carbonati Apuani Srl vs. Comune di Carrara (heffing van gelijke werking als douanerecht – accijns van marmer dat op grondgebied van gemeente wordt gewonnen, die wordt toegepast wanneer marmer het grondgebied van die gemeente verlaat), Jur. 2004, p. I-08027, r.o. 24.
P.J.G. Kapteyn, P. VerLoren van Themaat e.a., Het recht van de Europese Unie en van de EuropeseGemeenschappen, Deventer: 2003, p. 488.
HvJ EG 17 mei 1994, nr. C-41/93, Frankrijk vs. EC, Jur. 1994, p. I-1829, r.o. 19.
De voltooiing van de Interne markt – Witboek van de Commissie voor de Europese Raad te Milaan van 28 en 29 juni 1985, COM(85)310 def. van 14 juni 1985.
EC, The Internal Market – Ten Years without Frontiers, SEC2002 1417, Brussel, 7 januari 2003.
De Europese integratie en eenwording wortelt in de grauwe internationale politieke verhoudingen van de ‘50-er jaren van de 20e eeuw, ontstaan na de ineenstorting van het Derde Rijk (1945). De Oost-Europese landen zijn schijnbaar definitief onder de Sovjet-Russische invloedssfeer gebracht. De West-Europese landen zijn druk bezig met de Amerikaanse Marshallhulp hun zwaar beschadigde economieën en infrastructuren te herstellen. De divisies van de twee supermachten staan in het kunstmatig gedeelde Duitsland scherp tegenover elkaar. De wereldpolitiek wordt niet langer vanuit Europa bepaald. Conflictstof ligt ruim voor het oprapen. Tot dan toe kent Europa de twijfelachtige traditie zijn jonge mannen en jongens zo om de veertig jaar naar de slagvelden te sturen om daar intergouvernementele confrontaties grootschalig en zinloos uit te vechten. Het gevaar dat juist Europa opnieuw na 1870, 1914 en 1939 opnieuw de haard van een toekomstig wereldwijd conflict zou gaan vormen, wordt door velen onderkend.
Deze situatie geeft nieuwe energie aan politieke stromingen die, vooroorlogse plannen en ideeën weer opnemend, aansturen op een politiek en economisch hecht en solide georganiseerd samengaan van Europese landen. Europa moet door samenwerking het ontstane vacuüm opvullen met nieuwe politieke en economische instituties en structuren, die het hoofd bieden aan de vanuit de Sovjet-Unie gevoelde expansiedrang en de afhankelijkheid van de Verenigde Staten (US) doen afnemen. Aan de traditionele Frans-Duitse tegenstelling wordt op Amerikaans en Brits aandringen het hoofd geboden door in de plaats van de geallieerde bevoogding van Duitsland te prolongeren, te streven naar gelijkberechtiging en intensieve samenwerking van beide landen in Europese context. Met het initiatief van Robert Schuman, de Franse Minister van Buitenlandse Zaken (1950), om onder beheer van een gemeenschappelijke Hoge Autoriteit samen te werken op het gebied van de kolen- en staalproductie, een vitaal geacht terrein van de economie en de traditionele basis voor elke machtspolitiek, uitmondend in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en ook openstaand voor deelneming door andere Europese landen, wordt het verwerven van afdoende garanties tegen herleving van de Duitse bedreiging van de Franse veiligheid drastisch anders aangepakt. Het Schuman-plan wijst ook verder de weg naar de uiteindelijk beoogde economische en institutionele eenwording in Europa. Vervolgens kan de samenwerking successievelijk worden uitgebreid op andere deelmarkten. Duitsland, Frankrijk, Italië en de drie Benelux-landen omarmen het Schuman-plan. Het EGKSverdrag treedt voor de zes lidstaten op 23 juli 1952 in werking.
Na de mislukkingen van de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) en de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) door de verwerping ervan door de Franse Assemblée in augustus 1954 ontketenen de daardoor aanvankelijk zwaar teleurgestelde pères fondateurs, waaronder Jean Monnet, een relance européenne. Monnet is de eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit van de EGKS en oprichter van het Comité d’action pour les Etats-Unis de l’Europe. In het kader daarvan wordt op initiatief van de toenmalige Belgische eerste minister Paul-Henri Spaak het plan-Beyen (1952) in een Benelux-memorandum (1955) opnieuw gepresenteerd. Op 1 en 2 juni 1955 komen de zes Ministers van Buitenlandse Zaken van de EGKS-landen onder leiding van Spaak te Messina op Sicilië bijeen om het memorandum te bespreken. Het plan-Beyen – afkomstig van de schrijftafel van de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken mr. J.W. Beyen – schetst de contouren van een Europese gemeenschappelijke markt met sectoroverstijgende algehele economische samenwerking en integratie. De economische samenwerking behoort alle economische sectoren te omvatten en niet slechts de deelsectoren kolen en staal en (kern)energie. De lijn van de supranationale institutionele structuren die in het Schuman-plan en in de voorstellen tot de EDG en de EPG voorop hadden gestaan, verdwijnt naar de achtergrond. Het Benelux-initiatief slaagt. Het leidt tezamen met het op de intergouvernementele conferentie van Messina volgende rapport-Spaak (1956) en de verdere onderhandelingen op het kasteel van Hertoginnedal (België, 1956) tot de ondertekening te Rome van het EEG-verdrag en het Euratom-verdrag op 25 maart 1957.
Het Spaak-rapport is een blauwdruk voor de gemeenschappelijke markt en de Europese samenwerking op het vlak van de nucleaire energie, dat op dat ogenblik een toekomstgerichte sector was. Het rapport schuift als volgt de ratio onder de gemeenschappelijke markt: ‘Doel van een gemeenschappelijke markt moet zijn de schepping van een grote ruimte met een gemeenschappelijke economische politiek, zodat een machtige eenheid van productie wordt gevormd en een voortdurende expansie mogelijk wordt gemaakt, evenals een toegenomen stabiliteit, een versnelde verhoging van de levensstandaard en de ontwikkeling van harmonische betrekkingen tussen de staten die erin verenigd zijn’. Daartoe is een samengaan van de afzonderlijke economische markten een absolute noodzakelijkheid. Deze grootse opzet wordt rond drie thema’s uitgewerkt. Het samengaan van markten brengt mee de grondvesting van een douane-unie, de afschaffing van kwantitatieve beperkingen, een vrij verkeer van diensten en een gemeenschappelijke landbouwpolitiek. Hiervoor is nodig een noodzakelijke graad van etappegewijze harmonisatie van het economische en sociale beleid, een gemeenschappelijk buitentarief en een gemeenschappelijke externe handelspolitiek.
Naar buiten, naar derde landen toe, is de Gemeenschap één geheel: de douane-unie strekt zich, aldus HvJ EG (1995), uit over het gehele goederenverkeer, kent een gemeenschappelijk douanetarief dat beoogt de douanerechten die aan de buitengrenzen van de EG op uit derde landen ingevoerde goederen drukken, gelijk te maken. Hierdoor worden verleggingen van het handelsverkeer tussen de lidstaten of in de mededingingsvoorwaarden tussen de marktdeelnemers voorkomen.1 ‘Het begrip gemeenschappelijke markt, zoals door het hof in een vaste rechtspraak ontwikkeld, ziet op de afschaffing van alle belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer teneinde de nationale markten te verenigen tot een enkele markt die de omstandigheden van een binnenlandse markt zoveel mogelijk benadert’.2 Meer precies omvat de gemeenschappelijke markt: (1) de instelling van een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lidstaten van obstakels voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten, kapitaal en betalingsverkeer3, (2) een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst4 en (3) een gemeenschappelijke handelspolitiek.5 Zoals in vele arresten van het HvJ EG tot uitdrukking is gebracht6, heeft een gemeenschappelijke markt een analoog karakter aan de binnenlandse markt van een lidstaat met bijbehorende binnengrensoverschrijdende neutraliteitswaarborgen (het internemarktbeginsel).7 De (nog steeds te voltooien) interne markt is gedefinieerd als ‘een ruimte zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van dit verdrag’, een beperkter begrip dan het begrip gemeenschappelijke markt, maar bedacht moet worden dat het begrip interne markt een bestanddeel is van het begrip gemeenschappelijke markt. Een van de doelstellingen van de Gemeenschap is het instellen van de gemeenschappelijke markt.8 Het begrip interne markt maakt geen enkel onderscheid tussen de grenzen tussen de lidstaten; een onontbeerlijke voorwaarde voor het bestaan van een douane-unie waarin het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd.9 De ruimte zonder binnengrenzen komt tot stand door de werking van het vrijheidsbeginsel, door de wederzijdse aanvaardingsregel en door harmonisatie of eenvormige regelingen.10 De instelling en de werking van de interne markt is van essentieel belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-verdrag. Naar ’s hofs vaste rechtspraak brengt de instelling van de gemeenschappelijke markt de opheffing van alle belemmeringen van het intracommunautaire verkeer mee, teneinde de nationale markten te versmelten tot één enkele markt waarvan de voorwaarden die van een echte interne markt zo dicht mogelijk benaderen.11 Uit deze bewoordingen van het HvJ EG valt op te maken, dat beide begrippen niet wezenlijk van elkaar verschillen.
Het aantal lidstaten neemt successievelijk toe. De Gemeenschap krijgt daardoor te kampen met afnemende besluitvaardigheid en beslissingskracht en met toenemende divergentie in ontwikkelingsniveau en economische structuur binnen de Gemeenschap als gevolg van de handhaving en uitbouw van de gemeenschappelijke markt en het gemeenschappelijke beleid. In de jaren 1970-1986 falen verregaande pogingen om gemeenschappelijke regelingen uit te vaardigen. Veel voorstellen van de EC worden door de Raad niet goedgekeurd wegens het hanteren van de unanimiteitsregel.12 Deze ontwikkeling wordt gedeeltelijk gecompenseerd door de rechtspraak van het HvJ EG over de wederzijdse aanvaarding van nationale regelingen. Om deze ontreddering van het integratieproces tot staan te brengen en daaraan waar mogelijk nieuwe impulsen te geven, vaardigt de EC het Witboek tot voltooiing van de interne markt uit (1985)13, dat voorziet in een gedetailleerd programma van bijna 300 harmonisatiemaatregelen met strak tijdschema die er alsnog toe zouden bijdragen om ultimo 1992 alle door nog onderling divergerende nationale wetgeving veroorzaakte belemmeringen van de interne markt weg te werken. In de kort daarna door de lidstaten in de Europese Raad van Milaan van 28 en 29 juni 1985 gesloten Europese Akte (1986) wordt het internemarktconcept in het EEG-verdrag opgenomen met een voldoende verankering van het tijdschema waarbinnen het witboekprogramma tot voltooiing van de interne markt binnen vijf jaar, dat wil zeggen vóór 1 januari 1993, tot uitvoering moet worden gebracht.14 Ook de verwezenlijking van de interne markt ontmoet groeistoornissen. Per 1 januari 1993 is de interne markt grotendeels, maar anno 2007 nog steeds niet volledig gerealiseerd. De voordelen van tien jaar interne markt zijn imposant: 2,5 miljoen meer banen en € 900 miljard meer welvaart.15