Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.10.6
4.10.6 Handelsverkeer ongunstig beïnvloeden
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS300524:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 81-82. HvJ EG 21 maart 1990, nr. C-142/87, België vs. EC (Tubemeuse), Jur. 1990, p. I-959, r.o. 43.
HvJ EG 29 april 2004, nr. C-397/97, Italië vs. EC, Jur. 2004, p. I-3679, r.o. 44. HvJ EG 15 december 2005, nr. C-66/02, Italië vs. EC, Jur. 2005, p. I-10901, r.o. 111. HvJ EG 15 december 2005, nr. C-148/04, Unicredito Italiano SpA vs. Agenzia delle Entrate, Ufficio Genova 1 (belastingvoordelen voor banken), Jur. 2005, p. I-11137, r.o. 54.
HvJ EG 15 december 2005, nr. C-66/02, Italië vs. EC, Jur. 2005, p. I-10901, r.o. 115-117. HvJ EG 15 december 2005, nr. C-148/04, Unicredito Italiano SpA vs. Agenzia delle Entrate, Ufficio Genova 1 (belastingvoordelen voor banken), Jur. 2005, p. I-11137, r.o. 56 en 58, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
HvJ EG 14 september 1994, nr. C-278/92-C-280/92, Spanje vs. EC, Jur. 1994, p. I-4103, r.o. 42. HvJ EG 21 maart 1990, nr. C-142/87, België vs. EC (Tubemeuse), Jur. 1990, p. I-959, r.o. 43. HvJ EG 24 juli 2003, nr. C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg vs. Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, in tegenwoordigheid van Oberbundesanwalt beim Bundesverwaltungsgericht, Jur. 2003, p. I-7747, r.o. 81.
HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 48. HvJ EG 7 maart 2002, nr. C-310/99, Italië vs. EC, Jur. 2002, p. I-02289, r.o. 89.
HvJ EG 15 juni 2006, nrs. C-393/04 en C-41/05, Air Liquide Industries Belgium SA vs. Ville de Seraing (C-393/04) en Province de Liège (C-41/05) (vrijstelling van gemeentelijke en provinciale heffingen), Jur. 2006, p. I-5293, r.o. 37-38.
Art. 87 lid 3 onderdeel c EG.
Art. 87 lid 3 onderdeel b EG.
HvJ EG 8 maart 1988, nrs. 62/87 en 72/87, Exécutif Régional Wallon en S.A. Glaverbel vs. EC, Jur. 1988, p. 1573, r.o. 22.
Art. 87 EG.
Vgl. HvJ EG 25 juni 1970, nr. 47/69, Frankrijk vs. EC, Jur. 1970 (steunmaatregelen Franse textielsector), p. 487, r.o. 7.
Onder meer: HvJ EG 24 februari 1987, nr. 310/85, Deufil GmbH und Co. KG vs. EC, Jur. 1987, p. 901, r.o. 9-14.
HvJ EG 2 juli 1974, nr. 173/73, Italië vs. EC, Jur. 1974, p. 709, r.o. 17.
Art. 32-38 EG en art. 73-80 EG. HvJ EG 26 juni 1979, nr. 177/78, Pigs and Bacon Commission vs. Mc Carren and Company Limited, Jur. 1979, p. 02161, r.o. 9. HvJ EG 16 januari 2003, nr. C- 462/01, Strafzaak tegen Ulf Hammarsten, Jur. 2003, p. I-00871, r.o. 24.
De tweede Altmark-voorwaarde is, dat de steunmaatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. Dit hangt niet af van een drempel of percentage waaronder het handelsverkeer kan worden geacht niet ongunstig te worden beïnvloed, noch van de plaatselijke of regionale aard van geleverde goederen en diensten of van de omvang van een ondernemer of markt waarop deze opereert.1 Voor de kwalificatie steunmaatregel moet niet worden vastgesteld dat de toegekende steun de handel tussen lidstaten werkelijk beïnvloedt en de mededinging daadwerkelijk vervalst, maar behoeft alleen te worden onderzocht of de belastingdifferentiatie dit handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen.2 Met name wanneer steun de positie van een onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun te worden beïnvloed. Daarvoor is niet vereist dat de begunstigde onderneming zelf aan dit handelsverkeer deelneemt.3 De omstandigheid dat een steunbedrag betrekkelijk gering is of de begunstigde onderneming klein, sluit op voorhand de mogelijkheid niet uit dat het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig wordt beïnvloed.4 De EC behoeft slechts de kenmerken van de betrokken belastingregeling te onderzoeken om te kunnen beoordelen of deze de begunstigden een merkbaar voordeel verschaft ten opzichte van hun concurrenten en naar haar aard voornamelijk ten goede komt aan bepaalde ondernemingen die deelnemen aan het handelsverkeer tussen lidstaten.5 Een vrijstelling van een gemeentelijke of provinciale belasting op drijfkracht die alleen wordt verleend voor motoren die worden gebruikt in aardgasstations, met uitsluiting van motoren die worden gebruikt voor andere industriegassen, kan volgens het HvJ EG in het arrest-Air Liquide Industries (2006) als staatssteun worden aangemerkt. Het is aan de nationale rechter te beoordelen of de voorwaarden voor het bestaan van staatssteun zijn vervuld.6
Steunmaatregelen die dienen ‘om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken’ kunnen ‘als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt’ worden beschouwd, ‘mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad’.7 Steunmaatregelen ‘om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen’ zijn in ieder geval verdragsconform.8 De voorwaarden waaronder een project of een programma zich als zodanig kwalificeert zijn dat het deel uitmaakt van een bovennationaal Europees programma, dat door de regeringen van verschillende lidstaten gezamenlijk wordt gesteund, of dat het een onderdeel vormt van een actie waartoe verschillende lidstaten in onderling overleg hebben besloten het hoofd te bieden aan een gemeenschappelijke dreiging, zoals bijvoorbeeld de milieuverontreiniging.9 Ter beoordeling of een maatregel ‘het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt’, ‘de mededinging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalst of dreigt te vervalsen’ en ‘de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt’, ‘zodanig’ doet wijzigen ‘dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad’10, moeten alle daarmede gepaard gaande omstandigheden van feitelijke en juridische aard in aanmerking worden genomen. Met name moet worden nagegaan of er geen wanverhouding bestaat tussen de lastenverdeling over de betrokken bedrijven of goederen enerzijds en eventuele voordelen voortvloeiend uit belastingregelingen anderzijds.11 Proportionaliteit mag ook hier niet uit het oog worden verloren.
Steunmaatregelen moeten, ongeacht de aard ervan, naar hun gevolgen worden beoordeeld, óók als de potentiële concurrentieverstoringen niet beoogd zijn en óók als de gevolgen in het handelsverkeer niet waarneembaar zijn.12 Het steunregime maakt geen onderscheid op grond van de redenen of doeleinden van maatregelen van de lidstaten.13 Alles draait per saldo om de verlichting van de totale bedrijfslasten. Het gaat niet om bepaalde kostensoorten (zoals fiscale of sociale lasten). Het beslissende element is de lastenverlichting zelf en niet de categorie kosten waarop zij betrekking heeft. Daarom heeft het geen zin de verhoudingen van een bepaalde kostencategorie ten opzichte van de totale productiekosten te vergelijken.14 Voor steun die in bepaalde sectoren van de economie, zoals landbouw, visserij en transport, wordt verleend, worden andere benaderingen gevolgd, namelijk die van de bepalingen van de marktordeningsregimes voor de landbouw en de transportsector, zulks vanwege de voorrang die het dwingende karakter aan die bepalingen toekent boven de algemene verdragsbepalingen betreffende de instelling van de gemeenschappelijke markt.15