Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.10.17
4.10.17 Belanghebbende bij standstill-gebod
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS304063:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 230 vierde alinea EG.
Art. art. 88 lid 3 slotzin EG. HvJ EG 21 november 1991, nr. C-354/90, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon (FNCE) vs. Frankrijk, Jur. 1991, p. I-5505, r.o. 12. HvJ EG 16 december 1992, nr. C-17/91, Georges Lornoy en Zonen NV Jos Theys NV Van Lomel PVBA Staf Lornoy en Zonen NV vs. België, Jur. 1992, p. I-06523, r.o. 30. HvJ EG 13 januari 2005, nr. C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (SWNB) vs staatssecretaris, Jur. 2005, p. I-87, r.o. 17.
HvJ EG 13 januari 2005, nr. C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (SWNB) vs staatssecretaris, Jur. 2005, p. I-87, r.o. 19-21.
HvJ EG 13 januari 2005, nr. C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (SWNB) vs staatssecretaris, Jur. 2005, p. I-87, r.o. 18. HvJ EG 11 juli 1991, nrs. C-87/90, C-88/90 en C-89/90, A. Verholen e.a. vs. Sociale Verzekeringsbank Amsterdam, Jur. 1991, p. I-03757, r.o. 24. HvJ EG 11 september 2003, nr. C-13/01, Safalero Srl vs. Prefetto di Genova, Jur. 2003, p. I-08679, r.o. 50.
Onder meer: HvJ EG 28 januari 1986, nr. 169/84, Compagnie Française de l'Azote (COFAZ) SA en anderen vs. EC, Jur. 1986, p. 408, r.o. 25.
Als bedoeld in art. 88 lid 2 EG.
GvEA EG 16 september 1998, nr. T-188/95, Waterleiding Maatschappij ‘Noord- West Brabant’ NV vs. EC, Jur. 1998, p. II-3713, r.o. 54-55 en 66-68.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan beroep instellen tegen tot hem gerichte beschikkingen of tegen beschikkingen die, hoewel gegeven in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.1 Naar vaste rechtspraak van het HvJ EG kan iedere burger, wiens belangen met de standstill-bepaling worden beoogd te worden beschermd, voor de nationale rechter een beroep doen op de directe werking van het standstill-gebod.2
Dat geldt niet alleen voor de burger met een belang als genieter of gedupeerde van de steunmaatregel, maar voor de burger die belastingplichtige is voor een belastingregeling die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel en die in strijd met het standstill-gebod toch wordt geheven, ongeacht of hij wordt geraakt door concurrentievervalsing als gevolg van de steunmaatregel.3 De nationale regels dienen de burger voldoende rechtsbescherming te bieden ter waarborging van de hem krachtens de communautaire rechtsorde toegekende rechten.4
Doordat het voorwerp van artikel 88, derde lid, EG het voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen is en dit artikellid verwijst naar de onderzoeksprocedure van artikel 88, tweede lid, EG, de procedurele volgordelijkheid voor nieuwe steunmaatregelen, is er geen aanleiding om aan te nemen dat de kring van belanghebbenden die door de slotzin van de standstill-bepaling wordt beschermd ruimer is dan de kring van belanghebbenden die een beroep kan doen op artikel 88, tweede lid, EG, namelijk de onverenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijk markt. Het doel van de standstill-bepaling immers geen ander dan dat van artikel 88, tweede lid, EG, namelijk de bescherming van het functioneren van de gemeenschappelijke markt. Eveneens naar vaste rechtspraak van het HvJ EG staat voor bedrijven beroep open, indien de steunmaatregel haar positie op de betrokken markt wezenlijk heeft beïnvloed.5 De omstandigheid dat een justitiabele een belasting heeft betaald die gebaseerd is op een belastingwet die een steunmaatregel bevat, is niet voldoende om aan te nemen dat deze justitiabele als belastingplichtige in haar concurrentiepositie wezenlijk is beïnvloed.
Belastingheffing is nog steeds een soevereine bevoegdheid van ieder land, ook van een lidstaat van de EU. De stelling dat een justitiabele in zijn beroep moet worden ontvangen op basis van het enkele feit dat hij belasting moet betalen op grond van een belastingwet waarin een steunmaatregel is ingebouwd heeft het GvEA EG afgewezen.
Om belanghebbende bij een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel 6 te kunnen zijn, moet verzoeker aantonen, dat de aangevochten steunmaatregel zijn mededingingspositie op de markt beïnvloedt. Die beïnvloeding wordt niet aangetoond met de enkele omstandigheid dat de verzoeker naar het volle tarief in de heffing van een belasting wordt betrokken op basis van een belastingwet waarin de steunmaatregel is vervat. Ook een verhoging van het tarief om de kosten van de in die belastingwet vervatte steunmaatregel te kunnen financieren, kan evenmin – en op de enkele grond dat verzoeker deze belasting verschuldigd is uit hoofde van een bepaalde objectieve hoedanigheid, doch op dezelfde voet als iedere andere marktdeelnemer die zich in een gelijke situatie bevindt – leiden tot de conclusie, dat die steunmaatregel zijn mededingingspositie op de markt beïnvloedt. Aanvaarding de stelling zou betekenen, dat iedere belastingplichtige als belanghebbende bij een onverenigbare steunmaatregel kan worden aangemerkt ten opzichte van een steunmaatregel die uit de algemene middelen van een lidstaat wordt gefinancierd. Iedere burger zou dan over de hoogte van het tarief van iedere belastingregeling met vrijstellingen, verminderingen of andere tegemoetkomingen bij de gemeenschapsrechter kunnen klagen. Zover heeft de gemeenschapsrechter het niet laten komen. Hij zou dan treden in de soevereiniteit van iedere lidstaat om zelf belastingen te heffen en daarvoor de tarieven te bepalen, welke door het EG-verdrag niet is beperkt. Het HvJ EG trekt de scheidslijn tussen de heffingenkant en de bestedingenkant van een belastingregeling, de heffingenkant ongemoeid latend. Een dergelijke uitlegging zou duidelijk onverenigbaar zijn met de ontwikkelde uitlegging van artikel 88, tweede lid, EG in de rechtspraak over het EG-verdrag.7 Om na te gaan of een belanghebbende een beroep kan doen op de standstill-bepaling moet zuiver worden onderzocht of diens concurrentiepositie op de betrokken markt wezenlijk is beïnvloed.