Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.10.2
4.10.2 Handelsverkeer ongunstig beïnvloeden
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305313:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 27 maart 1980, nr. 61/79, Amministrazione delle Finanze dello Stato vs.Denkavit Italiana Srl, Jur. 1980, p. 1205, r.o. 31.
HvJ EG 16 mei 2002, nr. C-482/99, Frankrijk vs. EC, Jur. 2002, p. I-4397, r.o. 24, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
HvJ EG 25 september 2003, nr. C-437/01, EC vs. Italië (Italiaanse smeeroliën I), Jur. 2003, p. I-9861. HvJ EG 10 juni 1999, nr. C-346/97, Braathens Sverige AB, voorheen Transwede Airways AB, vs. Riksskatteverket Zweden, Jur. 1999, p. I-3419, r.o. 30-32.
GvEA EG 5 april 2006, nr. T-351/02, Deutsche Bahn AG vs. EC, r.o. 102.
Art. 23 aanhef en lid 2 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
HvJ EG 5 oktober 2004, nr. C-475/01, EC vs. Griekenland (toepassing van lager tarief op ούζο (ouzo) dan op andere alcoholhoudende dranken), Jur. 2004, p. I-8923, r.o. 15 en 23.
Zie in deze zin: HvJ EG 15 juni 1994, nr. C-137/92 P, EC vs. BASF AG, Limburgse Vinyl Maatschappij NV, DSM NV, DSM Kunststoffen BV, Huels AG, Elf Atochem SA, Société Artesienne de Vinyle SA, Wacker Chemie GmbH, Enichem SpA, Hoechst AG, Imperial Chemical Industries plc, Shell International Chemical Company Ltd en Montedison SpA, Jur. 1994, p. I-02555, r.o. 48-50. HvJ EG 8 juli 1999, nr. C-245/92 P, Chemie Linz GmbH vs. EC, Jur. 1999, p. I-04643, r.o. 93-95.
HvJ EG 9 maart 2000, nr. C-437/97, Evangelischer Krankenhausverein Wien vs. Abgabenberufungskommission Wien alsmede Wein & Co. HandelsgesmbH, voorheen Ikera Warenhandelsgesellschaft mbH vs. Oberösterreichische Landesregierung, Jur. 2000, p. I-1157, r.o. 51 en 53. HvJ EG 13 juli 2000, nr. C-36/99, Idéal tourisme SA vs. België, Jur. 2000, p. I-6049, r.o. 26-29. HvJ EG 20 september 2001, nr. C-390/98, H.J. Banks & Co. Ltd vs. The Coal Authority en Secretary of State for Trade and Industry (Banks II), Jur. 2001, p. I-06117, r.o. 80. Dit arrest is gewezen in het kader van het EGKS-verdrag en beslist de rechtsvraag inzake de verschuldigdheid van royalties tegenover een steunmaatregel op basis van art. 9 lid 1 beschikking nr. 3632/93, op basis waarvan de lidstaten de EC kennis moeten geven van alle financiële steunmaatregelen welke zij voornemens zijn ten behoeve van de kolenindustrie te nemen, en volgens art. 9 lid 4 eerste volzin, mogen zij de voorgestelde steunmaatregelen uitsluitend na goedkeuring van de EC ten uitvoer leggen. Dit laatste voorschrift is identiek aan art. 88 lid 3 EG. Beide bezitten rechtstreekse werking (r.o. 70). HvJ EG 13 juni 2002, nrs. C-430/99 en C-431/99, Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam vs. Sea-Land Service Inc. en Nedlloyd Lijnen BV, Jur. 2002, p. I-5235, r.o. 47.
Zo ook: HvJ EG 13 januari 2005, nr. C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (SWNB) vs staatssecretaris, Jur. 2005, p. I-87.
Op basis van art. 241 EG, dat van toepassing is alle communautaire besluitvorming van algemene strekking. Vgl. P.J.G. Kapteyn, P. VerLoren van Themaat e.a., Het recht van de Europese Unie en vande Europese Gemeenschappen, Deventer: 2003, p. 386.
Art. 19 Richtlijn energiebelastingen.
EC, Groenboek, Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening, COM(2000)769 def., Brussel: 29 november 2000, p. 59 en 61.
Een algemene lastenverlichtingsmaatregel, lastenverlichting voor iedereen, is geen steunmaatregel, als daarvan niet kan worden gezegd dat daardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde goederen of diensten worden begunstigd. Hoe minder algemeen en hoe meer sectorspecifiek een lastenverlichtingsmaatregel in het kader van lastenherverdeling wordt geconstrueerd, hoe eerder deze het karakter krijgt van een steunmaatregel. De grens tussen specifiek en selectief enerzijds en generiek anderzijds loopt tussen regelingen die evident ten gunste van bepaalde ondernemingen werken, en regelingen waarvan alle ondernemingen door hun ondernemingsuitoefening gebruik maken. De zelfstandigenaftrek en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek in de inkomstenbelasting zijn geen steunmaatregelen. De cultuurgrondvrijstelling en de substraatteeltvrijstelling in de OZB zijn zo algemeen, dat de EC deze vrijstellingen geen steun vindt. Belastingmaatregelen ten gunste van de primaire landbouwproductie vormen op zich geen staatssteun.Hiertoe behoort onder meer de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting. Ook benadrukt de EC de bijzondere kenmerken van de land- en tuinbouwsector en de specifieke functie van grond voor de primaire productie, en overweegt: ‘dat een correctie noodzakelijk kan zijn om rekening te houden met het belang van de grond bij activa die kenmerkend zijn voor bepaalde sectoren zoals de landbouw. De specifieke aard van de grond in de landbouw wordt dus uitdrukkelijk erkend’.Ten aanzien van de substraatteelt in relatie tot de cultuurgrondvrijstelling ‘lijkt er geen reden te zijn om deze vrijstelling niet uit te breiden tot identieke en soortgelijke gewassen die op substraat worden geteeld. (…) Door deze uitbreiding wordt het algemene karakter van het huidige fiscale stelsel nog verder versterkt.’, aldus de EC, zie: Besluit van de EC van 12 mei 2000, nr. SG(2000) D/103619 en Kamerstukken II en I 1998/99, 26 423, waarin er steeds is vanuit gegaan dat geen sprake is van een steunmaatregel. De productiefactor cultuurgrond heeft in het agrarische productieproces een bijzondere positie die een vrijstelling rechtvaardigt welke past binnen de aard en de opzet van het fiscale stelsel, zie: Mededeling EC nr. 98/C 384/03 (PbEg 1998, C 384/3, onderdeel 27). Een in beginsel voor iedere ondernemer openstaande exportfaciliteit is toch een steunmaatregel, omdat niet iedere ondernemer exporteert: HvJ EG 10 december 1969, nrs. 6/69 en 11/69, EC vs. Frankrijk (Export credits rediscount rate), Jur. 1969, p. 523, r.o. 43. De VAMIL, EIA, MIA, de S&O-faciliteit en de groenregeling in de IB/Vpb zijn om die redenen ook steunmaatregelen. Deze faciliteiten zijn door Nederland ingevolge art. 88 lid 2 onderdeel c EG bij de EC aangemeld en door de EC goedgekeurd. Ook de Wbm bevat diverse differentiaties die steunmaatregelen vormen en eveneens aan de EC zijn gemeld en door haar goedgekeurd. De omstandigheid dat een enkele onderneming die niet behoort tot de groep begunstigde ondernemingen meeprofiteert van de genomen maatregel maakt die maatregel nog niet tot een generieke steunmaatregel: HvJ EG 28 januari 1986, nr. 169/84, Compagnie Française de l'Azote (COFAZ) SA en anderen vs. EC, Jur. 1986, p. 408, r.o. 22.
HvJ EG 15 maart 1994, nr. C-387/92, Banco de Crédito Industrial SA, thans Banco Exterior de España SA vs. Ayuntamiento de Valencia, Jur. 1994, p. I-877, r.o. 13. HvJ EG 17 juni 1999, nr. C-75/97, België vs EC (Maribel), Jur. 1999, p. I-3671, r.o. 23. HvJ EG 19 september 2000, nr. C-156/98, Duitsland vs. EC, Jur. 2000, p. I-6857, r.o. 25. HvJ EG 13 juni 2002, nr. C-382/99, Nederland vs. EC, Jur. 2002, p. I-05163, r.o. 60.
HvJ EG 20 september 2001, nr. C-390/98, H.J. Banks & Co. Ltd vs. The Coal Authority en Secretary of State for Trade and Industry (Banks II), Jur. 2001, p. I-06117, r.o. 33. Vgl. de omgekeerde discriminatie in het FDV-regime. Het zwaarder belasten van binnenlandse goederen en diensten dan van goederen en diensten van buitenlandse herkomst valt niet onder de werkingssfeer van het FDV, maar kan zich voordoen als gevolg van bijzonderheden van niet-geharmoniseerde nationale wetgevingen op gebieden die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, zie: HvJ EG 13 maart 1979, nr. 86/78, S.A. des Grandes Distilleries Peureux vs. Directeur des Services Fiscaux de la Haute-Saône et du Territoire de Belfort, Jur. 1979, p. 897, r.o. 32-33. Het FDV verbiedt niet een slechtere behandeling van eigen ingezetenen dan van ingezetenen van andere lidstaten. Dit wordt niet anders indien de slechter behandelde eigen ingezetene zelf in een grensoverschrijdende situatie verkeert en daarmee binnen de werkingssfeer komt van het EG-verdrag. Hij kan in dat geval wel een zelfde, gunstiger behandeling inroepen als voor buitenlandse EU-ingezetenen geldt. HvJ EG 7 februari 1979, nr. 115/78, J. Knoors vs. Staatssecretaris van EZ (vestigingsrecht), Jur. 1979, p. 00399, r.o. 23-24.
HvJ EG 23 februari 1961, nr. 30/59, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg vs. de HogeAutoriteit van de EGKS, Jur. 1961, p. 0097. HvJ EG 20 september 2001, nr. C-390/98, H.J. Banks &Co. Ltd vs. The Coal Authority en Secretary of State for Trade and Industry (Banks II), Jur. 2001 I-06117, r.o. 30. Deze arresten zijn weliswaar gewezen in het kader van de EGKS, maar heeftook betekenis voor het steunkader van het EG-verdrag. HvJ EG 1 december 1998, nr. C-200/97, Ecotrade Srl vs. Altiforni e Ferriere di Servola SpA (AFS), Jur. 1998, p. I-07907, r.o. 34. HvJ EG15 maart 1994, nr. C-387/92, Banco de Crédito Industrial SA, thans Banco Exterior de España SAvs. Ayuntamiento de Valencia, Jur. 1994, p. I-00877, Jur. 1994, p. I-877, r.o. 13.
HvJ EG 8 november 2001, nr. C-143/99, Adria-Wien Pipeline GmbH, Wietersdorfer & Peggauer Zementwerke GmbH vs. Finanzlandesdirektion für Kärnten (Restitutie energieheffingen I), Jur. 2001, p. I-08365, r.o. 38. HvJ EG 15 juli 2004, nr. C-501/00, Spanje vs. EC, Jur. 2004, p. I-6717, r.o. 90. HvJ EG 15 december 2005, nr. C-66/02, Italië vs. EC, Jur. 2005, p. I-10901, r.o. 77.
HvJ EG 2 juli 1974, nr. 173/73, Italië vs. EC, Jur. 1974, p. 709, r.o. 13. HvJ EG 26 september 1996, nr. C-241/94, Frankrijk vs. EC, Jur. 1996, p. I-4551, r.o. 20. HvJ EG 13 juni 2002, nr. C-382/99, Nederland vs. EC, Jur. 2002, p. I-05163, r.o. 61.
HvJ EG 15 juni 1964, nr. 6/64, Flaminio Costa vs. Enel, Jur. 1964, p. 1141 en 1161.
In de kern bepaalt het staatssteunregime, dat behoudens de afwijkingen waarin het EG-verdrag voorziet, steunmaatregelen van de lidstaten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producten vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Deze bepaling heeft dus betrekking op besluiten van de lidstaten, waardoor deze ter verwezenlijking van eigen economische en sociale doeleinden, eenzijdig en autonoom geldmiddelen ter beschikking stellen van ondernemingen of andere rechtssubjecten of hen voordelen verschaffen ter verwezenlijking van nagestreefde economische of sociale doelstellingen te bevorderen.1 Het staatssteunregime heeft dus geen betrekking op communautaire besluiten van de Raad en de EC, zoals verordeningen en richtlijnen, waaraan de lidstaten uitvoering dienen te geven, ook al bieden deze besluiten bepaalde voordelen een bepaalde ingezetenen.
Deze communautaire besluiten zijn niet aan een enkele lidstaat toe te rekenen.
Voordelen kunnen slechts als steunmaatregel worden aangemerkt, wanneer zij aan de betreffende lidstaat kunnen worden toegerekend.2 In het Deutsche Bahnarrest (2006), waarin Deutsche Bahn AG de stelling betrekt, dat de vrijstelling voor de commerciële luchtvaart van accijns van minerale oliën een steunmaatregel is, omdat de hogesnelheidsspoorweg valselijk door de luchtvaart met de vrijstelling wordt beconcurreerd, beslist het GvEA EG dat deze vrijstelling berust op de Structuurrichtlijn minerale oliën, thans de Richtlijn energiebelastingen, en de lidstaten bij de omzetting van deze richtlijnvrijstelling in nationale wetgeving geen beleidsruimte hadden of hebben deze uit te breiden naar het hogesnelheidsspoor.3 De richtlijn legt de lidstaten immers een duidelijke en nauwkeurige verplichting op om brandstof voor de commerciële luchtvaart niet aan accijns te onderwerpen. Met de omzetting van de vrijstelling in nationaal recht voeren de lidstaten overeenkomstig hun verdragsverplichtingen enkel communautaire bepalingen uit. De betrokken bepaling kan dan ook niet aan de Duitse Staat worden toegerekend, maar vloeit rechtstreeks voort uit een handeling van de gemeenschapswetgever.4 Hier is een parallel te zien met het - arrest (2004). De aanleiding voor dat arrest was, dat de EC verschillende klachten had ontvangen over de toepassing van het verlaagde accijnstarief op ούζο (ouzo), terwijl Griekenland voor andere vergelijkbare alcoholhoudende dranken zoals gin, wodka, whisky, rum, tequila en arak een veel minder gunstig tarief toepast. Het verlaagde accijnstarief voor ούζο is gebaseerd op de Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.5 In het Ούζο-arrest (2004) heeft het HvJ EG beslist dat Griekenland handelt in overeenstemming met het bepaalde in dit voorschrift en niet is tekortgeschoten in haar verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht.6 Handelingen van de gemeenschapsinstellingen worden, aldus het HvJ EG, vermoed rechtsgeldig te zijn en bijgevolg rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, niet in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of niet ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard.
Als uitzondering op dit beginsel moeten handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel – ook geen voorlopig – rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen als juridisch nonexistent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit. Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden voor uiterst extreme gevallen.7 Verder kunnen volgens het HvJ EG in het EKW-arrest (2000) diegenen die een verplichte bijdrage verschuldigd zijn, zich er niet op beroepen, dat een door anderen genoten vrijstelling staatssteun vormt.8 Dat blijft volgens het HvJ EG in het Streekgewest-arrest (2005) ook zo wanneer het tarief of een van de tarieven van de betreffende belastingregeling extra is verhoogd om met die extra opbrengst de budgettaire dekking te verzorgen van de derving van belastinginkomsten die ontstaat door het invoeren van een specifieke vrijstelling of andere differentiatie.9
Het door Deutsche Bahn AG gekozen spoor de accijnsvrijstelling te verwerven via het staatssteunregime was dus van begin af aan doodlopend. Sporen met reële kansen op succes voor hogesnelheidsspoorwegmaatschappijen vormen (1) het stellen van de exceptie van onwettigheid van de vrijstelling, nu een nieuwe concurrentieverhouding tussen het luchtvervoer en het vervoer per spoor is ontstaan, welke vanuit het milieubeleid bewust door regeringen is gecreëerd10, (2) het verwerven van een machtiging van de Raad tot toepassing van verdere vrijstellingen of verlagingen uit specifieke beleidsoverwegingen op basis van het communautair gezondheids-, milieu-, energie- en vervoersbeleid11, of (3) nieuwe besluitvorming van de Raad op basis van de nieuwe concurrentieverhoudingen en de vorengenoemde ontwikkelingen in ICAO-verband.
De hogesnelheidsspoorwegen zullen de EC aan hun zijde treffen. De EC (2000) is in haar Groenboek over het Europese energiebeleid van opvatting dat de hogesnelheidsspoorwegen en de luchtvaart met elkaar in concurrentie staan: ‘De HST wordt op een traject tussen een hoofdstad en een andere grote stad (600 km) beconcurreerd door het vliegtuig, met alle congestieproblemen van dien, vooral bij het vertrek uit de hoofdstad. Het vliegtuig gebruikt kerosine, die volledig van belastingen is vrijgesteld, terwijl de treinreiziger de btw op elektriciteit en eventueel de accijns betaalt die in de prijs van het kaartje voor de HST wordt doorberekend’.12
Het staatssteunverbod is niet toepasselijk op algemene, generieke maatregelen die voor alle ondernemingen en bedrijfstakken gelden. Lastenverlichtingsmaatregelen, welke soms synoniem lijken aan staatssteun, vallen voor categorieën ondernemingen of bedrijfstakken in het algemeen buiten het steunregime.13
Als steunmaatregelen worden beschouwd maatregelen die, in verschillende vormen, lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken, rekening houdend met de aard en de systematiek van het betrokken lastenstelsel, en daardoor – zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden.14 Het tegenovergestelde van steun, een bijzondere last, is daarentegen een extra last ten opzichte van de normale lasten. Het aldus ontstane verschil wordt niet als steun beschouwd en de normale regel ten opzichte van de bijzondere last dus niet een steunmaatregel.15 Naar vaste rechtspraak van het HvJ EG is het steunverleningsbegrip materieel en ruim. Het omvat alle vormen van kunstmatige lastenvermindering van ondernemingen of productiekosten, niet enkel positieve prestaties, zoals subsidies, maar eveneens maatregelen die, in verschillende vormen, lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden. 16. Het begrip steun heeft een meer algemene strekking dan het begrip subsidie, omdat het niet alleen positieve prestaties zoals de subsidie zelf omvat, maar ook overheidsmaatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken.17
Bovendien maakt het staatssteunverbod naar vaste rechtspraak geen onderscheid naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de lidstaten, doch ziet naar de gevolgen ervan.18
Het handhavingsmechanisme van het staatssteunregime bestaat uit raadpleging door de EC van de betrokken lidstaat en het doen van aanbevelingen door de EC aan de betrokken lidstaat en, voor het geval dat die niet mochten leiden tot overeenstemming ter opheffing van de verstoring, stelt de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de EC de voor dat doel noodzakelijke richtlijnen vast. Voor nieuwe maatregelen geldt voor de lidstaten een consultatieplicht van de EC. Daarnaast kunnen de EC en de Raad alle andere dienstige maatregelen nemen waarin het EG-verdrag voorziet. De beoordelingsvrijheid die de EC en de Raad hier toekomen, verzet zich tegen het toekennen van directe werking aan de kernbepalingen van het staatssteunregime, dat wil zeggen dat deze voor de burgers geen rechten scheppen, welker handhaving aan de nationale rechters kan worden gevraagd.19