Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.4:2.2.4 Verbruikskarakter
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/2.2.4
2.2.4 Verbruikskarakter
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305280:1
- Vakgebied(en)
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De btw is geen algemene verbruiksbelasting omdat belangrijke sectoren, zoals de financiële, medische en onderwijssectoren daarvan zijn vrijgesteld.
Zo ook A-G Stix-Hackl in haar conclusie van 4 maart 2004 voor HvJ EG 15 juli 2004, nr. C-365/02, Marie Lindfors vs. Finse fiscale autoriteit (onderworpenheid aan autoverolaki (Finse motorrijtuigenbelasting) bij overbrenging van verblijfplaats naar Finland), PbEG 2002, (323).
Vgl. Terra 1984, p. 30-31.
Vgl. Terra 1996, p. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een verbruiksbelasting wordt geheven ter zake van het verbruik van goederen en diensten. De btw heet de algemene verbruiksbelasting te zijn, waarmee wordt beoogd het consumptief verbruik van alle goederen en diensten te treffen.1 Accijnzen zijn bijzondere verbruiksbelastingen waarmee wordt beoogd het verbruik van bepaalde aangewezen goederen en diensten te treffen. Bij de heffing gaat het evenwel niet zozeer om het verbruik, dat een eenmalige gebeurtenis kan zijn, maar ook een langerlopend proces, als wel om de bestedingen die moeten worden gedaan tot dat verbruik te komen.
Het aanknopingspunt voor de heffing is de besteding, waarbij de vraag of een goed of dienst ook metterdaad wordt verbruikt, terstond of geleidelijk, niet relevant is, zelfs niet als van verbruik wordt afgezien, of moet worden afgezien, omdat het goed vermist wordt of teloor is gegaan. Accijnzen zijn dus bestedingsbelastingen ongeacht het daadwerkelijk ge- of verbruik van goederen en diensten.
De accijnzen worden via de prijzen goederen en diensten door middel van afwenteling gedragen door de verbruiker zodra deze zijn besteding verricht, nadat de accijns eerst is geheven van degene die uitslaat, invoert, voorhanden heeft, levert, onttrekt of van degene bij wie accijnsgoederen worden vermist of teloor zijn gegaan.
De heffing vindt plaats ter zake van de uitslag, de invoer, de levering, de onttrekking, de aflevering, de vermissing of de teloorgang in de accijnsheffing betrokken.
De BPM wordt geheven ter zake van de registratie van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in het kentekenregister. De voorwaarde van registratie, sluit niet a priori uit dat een registratiebelasting ook een belasting ter zake van het verbruik kan zijn.2
Accijnzen zijn indirecte verbruiksbelastingen. Het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen ligt in de onderliggende bedoeling wie de belasting uiteindelijk behoort te dragen. Zoals gezegd, vindt de heffing van indirecte belastingen plaats door inschakeling van derden, die de belasting verschuldigd worden, verplicht zijn deze op aangifte aan de belastingautoriteit te voldoen, en worden verondersteld de dientengevolge opgeroepen lasten via hun prijzen van de belaste goederen en diensten af te wentelen op de verbruiker ervan. Aan de juridische kwalificatie indirecte belasting is het rechtsgevolg te verbinden van het bestaan van de mogelijkheid de belasting door te berekenen, zelfs wanneer deze, economisch gezien – en zo men wil in strijd met de bedoeling van de wetgever – , niet volledig zou kunnen of mogen worden afgewenteld.
Afwenteling mag niet worden verhinderd, maar behoort juist te worden bevorderd. Het indirecte karakter van de accijnzen vereist een concurrentieneutraal werkend afwentelingsproces.3
Het bestemmingslandbeginsel waarvan, zoals gezegd, de toepassing het rechtsgevolg is van het karakter van verbruiksbelasting, tolereert geen verschillen tussen te verbruiken goederen die in het land zelf zijn vervaardigd dan wel goederen die elders zijn geproduceerd. Steeds leidt het bestemmingslandbeginsel derhalve tot een compenserende heffing bij invoer om de accijnsdruk op ingevoerde goederen gelijk te maken aan de binnenlandse accijnsdruk op soortgelijke in het binnenlandse geproduceerde goederen. Als die compensatie uitblijft, dragen verbruikers van ingevoerde goederen geen accijns, terwijl verbruikers van soortgelijke in het binnenland geproduceerde goederen dat wel doen.4 Hierbij wordt uitgegaan van de premisse dat de goederen van elders het buitenland belastingschoon hebben verlaten. Het nut van het bestemmingslandbeginsel is dat op alle goederen in de uiteindelijke verbruiksfase dezelfde accijns drukt. Een nadeel is dat ter zake van buiten- en binnengrensoverschrijding altijd verrekening dient plaats te vinden. Het is de toepassing van het bestemmingslandbeginsel dat bij uitstek bepaalt of belastingen tot de indirecte belastingen gerekend kunnen worden. Voor de accijnzen bestaat hierover geen twijfel.