Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/5.10
5.10 Evaluatie basisvorming, waaronder staatsinrichting 1999
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977356:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 2 juni 1998, Stb. 1998, nr. 11 (Geschiedenis en staatsinrichting).
Inspectie van het Onderwijs: Geschiedenis en staatsinrichting, Utrecht: IvhO 1999.
Ibid., p. 43.
Vgl. Duyverman 1936, p. 45.
IvhO 1999, p. 43.
Ibid., p. 43. Leraren hangen aan methoden, in plaats van aan de wet, zie: J. Ex, Trouw 30 november 2022.
Ibid., p. 44.
Ibid., p. 46.
Ibid., p. 46-49.
Trouw 23 augustus 1999. Het verband tussen bevoogdende staatspedagogiek en een defensieve houding van het parlement is in relatie tot de vormgeving van staatsinrichting/staatsburgerlijke vorming relevant; vgl. NRC Handelsblad van dezelfde dag over ‘De calculerende bèta´, waar het belang van exacte vakken t.o.v. de gammavakken gerelativeerd wordt.
Vermeulen 1999, p. 51.
Staatsinrichting: structuur en functioneren van het politieke bestel
De inspectie evalueert de basisvorming van 1993-1998 in het rapport Werk aan de basis, evaluatie van de basisvorming na vijf jaar en in negentien vakrapporten.1 In 1999 verschijnt het vakrapport Geschiedenis en staatsinrichting in de basisvorming. Het kerndoel ‘hoofdlijnen van structuur en functioneren van het Nederlandse politieke bestel’ komt er met vijf andere kerndoelen in negatieve zin uit: ‘staatsinrichting blijft onderbelicht’.2 Het ontbeert ‘een eigen didactiek en wordt eenmalig behandeld, waardoor de duurzaamheid van de leerstof beperkt is’.3 Deze bevinding treft in zoverre doel dat kennisvergaring in mijn ervaring door de concentrische methode beter beklijft.4 Bij het concentrisch onderwijs is de leerinhoud cyclisch. Bij iedere behandeling wordt deze moeilijker en uitgebreider. De toetsen voor staatsinrichting zijn veel in gebruik ‘ondanks de geringe belangstelling voor bepaalde onderdelen’. Vbo-leerlingen scoren bovengemiddeld, mavo-leerlingen op het verwachte niveau en havo- en vwo-leerlingen eronder.5
Onderwijsinspectie: grote gebondenheid van docenten aan methoden
Als de voornaamste oorzaken voor het ondergemiddeld presteren van havo- en vwo-leerlingen ziet de inspectie de gebondenheid van docenten aan methoden en leerboeken, en het ontbreken van vakdidactische kennis.6 Leerlingen behalen bijvoorbeeld gemiddeld een lage score op de vraag: ‘De belangrijkste motie is een ‘motie van wantrouwen’. Waarom is deze belangrijk?’ Ze behalen gemiddeld een hoge score op de vraag: ‘Wat is voor een minister ingeval van ruzie met de Tweede Kamer in de politiek belangrijker: de mening van ambtenaren die hem een goed minister vinden of die van de Tweede Kamer?’7 De kerndoelen geschiedenis en staatsinrichting 1993-1998 luiden ‘toerusting met historische en politiek/bestuurlijke kennis, inzichten en vaardigheden voor het participeren in historische […] verbanden’.8
Staatsinrichting in de basisvorming; kenmerken van de rechtsstaat
Een leerling moet bij het vak staatsinrichting ‘in hoofdlijnen de structuur en het functioneren van het hedendaagse politieke bestel in wisselwerking met de samenleving kunnen aangeven en aandacht besteden aan de kenmerken van de rechtsstaat, het belang van de Grondwet, grondrechten en mensenrechten, de samenstelling, onderlinge verhouding en het functioneren van bestuursorganen op gemeentelijk, nationaal en Europees niveau’. Daarnaast moet er aandacht zijn voor de rechterlijke organisatie, de rechtsbescherming en de hoofdlijnen in de historische ontwikkeling van het politieke bestel vanaf de 19e eeuw.9 Opvallend is de uitspraak van oud-staatssecretaris Wallage (PvdA) dat ‘de basisvorming achteraf gezien te liberaal is door de toen bestaande vrees voor staatspedagogiek en sturing van curricula van bovenaf. De basisvorming is als revolutie ervaren en de politiek als defensief’.10 Bovendien heeft de (in)richtingsvrijheid (artikel 23 Gw) ‘een evidente rol gespeeld’, stelt Wallage.11