Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.3:6.2.1.3 De Vries Robbé Groep
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.3
6.2.1.3 De Vries Robbé Groep
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467964:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 28 juni 2001, JOR 2001, 148, r.o. 3.20-3.26 (De Vries Robbé Groep
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
182. Nadat de Ondernemingskamer in rechtsoverweging 3.18 samenvattend heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de gang van zaken rond de inbrengtransacties en de beursgang sprake is geweest van wanbeleid, gaat zij naar aanleiding van het verzoek van de vennootschap om de onderzoekskosten ten bedrage van ƒ 40 000 te mogen verhalen op [C], [G], [M] en [B] – zij waren ten tijde van de gewraakte inbrengtransactie met BTG commissaris respectievelijk bestuurder van de vennootschap – uitgebreid in op de vraag of deze personen verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid.1 [C] als (president-)commissaris van De Vries Robbé Groep in die zin verantwoordelijk voor het onjuiste beleid, dat hij ten onrechte heeft nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de transactie en de beursgang, terwijl hij als (middellijk) aandeelhouder van BTG redelijkerwijs op de hoogte moet zijn geweest van de f inanciële staat van BTG, althans in zijn hoedanigheid van commissaris van De Vries Robbé Groep in een positie verkeerde waarin hij tot ernstige twijfel aanleiding gevende signalen betreffende de f inanciële staat van de in te brengen vennootschappen had kunnen en ook behoren op te vangen. [G] en [B] (commissaris respectievelijk bestuurder van De Vries Robbé Groep) hebben er welbewust aan meegewerkt dat de vennootschap zich door BTG heeft laten misbruiken. Beiden waren in hun hoedanigheid van bestuurder van BTG op de hoogte van haar dreigend faillissement en van het feit dat de cijfers van de in te brengen vennootschappen waren gemanipuleerd, maar hebben die kennis voor zichzelf gehouden. De Ondernemingskamer voegt hier wat betreft [B] nog aan toe dat hij als bestuurder van De Vries Robbé Groep had moeten tegenhouden dat zij te veel betaalde voor de ingebrachte vennootschappen, maar dat hij dit heeft nagelaten. Wat betreft [M] wordt geconstateerd dat uit het onderzoeksverslag niet blijkt of hij daadwerkelijk op de hoogte was van de precaire f inanciële situatie waarin BTG zich ten tijde van de transactie bevond, hetgeen de Ondernemingskamer noopt tot het oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat hij de werkelijke stand van zaken niet kende. De omstandigheid dat hij derhalve niet hoefde twijfelen aan de juistheid van de informatie die hij had over de in te brengen vennootschappen, ontsloeg hem evenwel nog niet van de verplichting een deugdelijk onderzoek te (doen) verrichten. De Ondernemingskamer concludeert wat betreft het laatste dat uit het verslag is gebleken dat [M] in die zin verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid, dat hij heeft nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de inbrengtransactie en de beursgang: hem kan worden aangerekend dat hij passief is gebleven en de regie over de voorbereiding en uitvoering van de transactie, waarbij hij net als de anderen een persoonlijk belang had, heeft overgelaten aan (aan) BTG (gelieerde personen) (rechtsoverweging 3.23).