Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.5
6.2.1.5 Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS464371:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk OK 17 april 1997, JOR 1997, 81, r.o. 3.1, onder b (Bobel, m.nt. Van den Ingh).
De OK overweegt uit proceseconomische gronden reeds nu – als aanstonds duidelijk – ten aanzien van commissaris [L] het volgende (r.o. 6.9.1 en 6.9.2): [L] is lid geweest van de RvC van 20 september 1985 tot 17 juli 1990. In de loop van 1989 kreeg hij te kampen met gezondheidsproblemen, waardoor hij slechts beperkt als commissaris heeft kunnen functioneren. ‘Weliswaar had het wanbeleid bij zijn aftreden op 17 juli 1990 reeds een aanvang genomen, doch in de gegeven omstandigheden kan hij daarvoor niet (mede) verantwoordelijk worden gesteld, althans moet zijn verantwoordelijkheid in dat licht als daarvoor te gering worden aangemerkt.’
OK 9 juli 1998, JOR 1998, 122 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, m.nt. Janssen).
184. De Ondernemingskamer besteedt in de beschikking van 9 juli 1998 inzake Vie d’Or geen aandacht aan de rol van de bestuurders en commissarissen afzonderlijk en hun betrokkenheid bij het wanbeleid (op één commissaris na1), maar beperkt zich tot het handelen van het bestuur en de RvC.2 Bijzonder is dat zij in haar oordeel bovendien aandacht besteedt aan het handelen van de Verzekeringskamer onder de noodregeling. De Ondernemingskamer concludeert in rechtsoverweging 6.8.2 dat de Verzekeringskamer verantwoordelijk is voor het wanbeleid voor zover het de behandeling van de Merrill Lynch-contracten onder de noodregeling betreft3 , onder verwerping van het verweer van de Verzekeringskamer: ‘Voorzover de Verzekeringskamer heeft willen aanvoeren dat zij de opzegging van de contracten door Merrill Lynch en de daardoor ontstane problemen niet heeft kunnen voorzien, wordt dat verweer verworpen. Toen de Verzekeringskamer haar taak als gemachtigde als bedoeld in artikel 66 van de toen geldende Wtv onder de noodregeling begon, verkreeg zij ingevolge artikel 70 lid 1 Wtv “bij uitsluiting alle bevoegdheden van de bestuurders en commissarissen”. Op dat moment was zij uit hoofde van haar taak als toezichthouder op de hoogte van de contracten. Voorzover nog nodig had zij zich met het oog op haar onder de noodregeling te verwachten taak en bevoegdheden – in ieder geval toen met het inroepen van de noodregeling ernstig rekening moest worden gehouden – ter zake van de contracten nader op de hoogte kunnen stellen en het nodige onderzoek kunnen (laten) doen. Dat zij dit heeft nagelaten of onvoldoende heeft gedaan, kan haar als gemachtigde onder de noodregeling worden toegerekend.’