Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.2.1.1
6.2.1.1 Text Lite Holding
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463143:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 2 november 1995, rekestnr. 104/95 OK (Text Lite Holding), te kennen uit NJ 1997, 671.
Aan de bestuurders besteedt de OK nagenoeg geen aandacht: zij volstaat met het oordeel dat beiden (mede) verantwoordelijk zijn voor het geconstateerde wanbeleid. Dat de OK niet verder uitweidt, lijkt samen te hangen met het feit dat zij niet ter terechtzitting zijn verschenen om verweer te voeren.
Onderzoeksverslag, onder 2.4.
De onderhavige overwegingen liggen ten grondslag aan zowel de vernietiging van de dechargebesluiten als de veroordeling van de bestuurders en commissarissen in de onderzoekskosten (in totaal ƒ 75 000 bedragend).
Onderzoeksverslag, onder 2.10.2.
180. De Ondernemingskamer oordeelt in de beschikking van 2 november 19951 dat op verschillende punten is gebleken van wanbeleid bij Text Lite Holding (rechtsoverwegingen 4.1-4.8). Een voorbeeld hiervan vormt de gang van zaken rond de aandelenemissies. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat het bestuur van Text Lite Holding (herhaaldelijk en op grote schaal) op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van personeelsoptieplannen – de aandelen zijn nagenoeg alle onder het mom van personeelsopties bij derden geplaatst – en op die wijze de statutaire voorkeursrechten van haar aandeelhouders heeft omzeild. Bovendien hebben de bestuurders en commissarissen met betrekking tot de gang van zaken bij emissies en tot de opbrengst daarvan veelal onjuiste, dan wel onvolledige informatie verschaft (rechtsoverweging 4.2). Ook de omstandigheid dat de Philippijnenorder in de jaarrekening over 1987 is verwerkt, levert wanbeleid op: door dit te doen heeft de directie ten onrechte de omzet verhoogd met ƒ 9,9 miljoen en de winst met ƒ 5,2 miljoen, en aldus een onjuiste voorstelling van zaken gegeven (rechtsoverweging 4.3).
In de rechtsoverwegingen 4.9 tot en met 4.12 gaat de Ondernemingskamer betrekkelijk uitvoerig in op de afzonderlijke rol van de commissarissen in het wanbeleid.2 Illustratief is haar oordeel wat betreft de commissarissen [S] en [L]. [S] heeft gesteld dat althans hij er niet van op de hoogte was dat de aandelen rechtstreeks aan derden werden uitgegeven. De Ondernemingskamer verwerpt dit verweer. Zij leidt in de eerste plaats uit de notulen van de vergadering van de RvC af dat [S] en [L] hiervan op de hoogte zijn geweest. Bovendien kan het, gelet op het grote aantal transacties en de daarbij geplaatste hoeveelheden aandelen, naar het oordeel van de Ondernemingskamer ‘niet anders zijn dan dat [S] en [L] zich ervan bewust moeten zijn geweest dat de bestuurders van Text Lite op oneigenlijke wijze gebruik hebben gemaakt van personeelsoptieplannen en op die wijze statutaire voorkeursrechten van bestaande aandeelhouders hebben omzeild.’ Beiden hebben evenwel niet ingegrepen: zij hebben – in de woorden van de onderzoeker3 – de handelwijze van het bestuur gedoogd. Wat betreft de verwerking van de Philippijnenorder in de jaarrekening over 1987 neemt de Ondernemingskamer het oordeel van de onderzoeker over dat [S] en [L] zich een beter oordeel hadden moeten vormen omtrent de presentatie van die order: ‘Gelet op de in (...) het verslag vermelde omstandigheden, waarvan [beiden] op de hoogte waren, althans behoorden te zijn, en de bezwaren van de accountant waarvan zij hadden kennis genomen, hadden zij niet mogen gedogen dat de order in de jaarrekening 1987 werd opgenomen op de wijze als is geschied.’ De Ondernemingskamer concludeert samenvattend ‘dat [S] en [L] als commissarissen ernstig tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taak en dat zij voorzover de besproken punten en de periode van hun aanstelling betreft, verantwoordelijk zijn voor het geconstateerde wanbeleid.’ (rechtsoverweging 4.10)4
De overwegingen ten aanzien van de andere commissarissen zijn soortgelijk. Zo oordeelt de Ondernemingskamer dat [Sm] en [W] ernstig tekort zijn geschoten in hun toezichthoudende taak omdat zij ten onrechte hebben nagelaten te controleren of de voorraadwaardering op redelijke gronden was gebaseerd en als zodanig verantwoord kon worden geacht, dit terwijl zij op de hoogte waren van de tegen die waardering door de accountant – [R] – aangevoerde bezwaren. Bovendien hebben zij met betrekking tot de optierechten en uitoefenprijzen meegewerkt aan het verschaffen van foutieve informatie aan de Vereniging voor de Effectenhandel (in de woorden van de onderzoeker: in de periode dat beiden commissaris waren, is met hun medeweten foutieve informatie verschaft5). De Ondernemingskamer concludeert vervolgens: ‘De omstandigheid dat zij hebben meegewerkt aan het verschaffen van foutieve informatie aan de Vereniging voor de Effectenhandel en naar’s hofs oordeel onvoldoende gewicht hebben toegekend aan de alarmerende brief van [R], maakt dat zij zodanig in hun toezichthoudende taak zijn tekortgeschoten dat zij in zoverre verantwoordelijk zijn voor het geconstateerde wanbeleid.’ (rechtsoverweging 4.11)