Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.21:4.21 Bedrijfswaarde en bestemmingswijziging
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.21
4.21 Bedrijfswaarde en bestemmingswijziging
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345518:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 maart 1992, nr. 27 918, BNB 1992/ 186.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bedrijfswaardeproblematiek kent naast alle eerder genoemde aspecten tevens het vraagstuk van de invloed die de bestemmingswijziging van een actief heeft op een in een eerder stadium toegepaste afwaardering op lagere bedrijfswaarde. Op 18 maart 19921 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat duidelijkheid schept in deze problematiek. Allereerst een korte casusbeschrijving: Een vennootschap onder firma (v.o.f.) laat een kantoorpand bouwen, bestemd voor de verkoop. Het pand kan derhalve als voorraad worden gekwalificeerd. In 1980 is het pand gereed en wordt deze onroerende zaak opgesplitst in negen appartementen, waarvan er in dat jaar één wordt verkocht. Aangezien daarna leegstand volgt, worden de resterende acht appartementen met een verkrijgingsprijs van f 1 276 232 vervolgens verhuurd. De verhuur impliceert een bestemmingswijziging zodat de appartementen die aanvankelijk de status hadden van voorraad, tot bedrijfsmiddelen worden getransformeerd. In verband met deze bestemmingswijziging zijn de appartementen ultimo 1981 afgewaardeerd tot de bedrijfswaarde, zijnde f 883 000. Omdat per 31 december 1983 de bedrijfswaarde van de verhuurde appartementen met f 57 000 is gestegen, doet zich de vraag voor of er in dit geval een verplichte opwaardering moet volgen.
Belanghebbende komt met de volgende stelling. Hij wenst de waardevermindering te bevriezen door middel van transformatie van de bestemmingswijziging in een fictieve verkoop gevolgd door een fictieve aanschaffing. Op grond van deze visie kunnen de appartementen voor de lagere bedrijfswaarde als bedrijfsmiddel de onderneming binnenkomen en staat het afwaarderingsverlies op de appartementen als voorraad niets meer in de weg. De Hoge Raad aanvaardt deze `schottentheorie' echter niet en overweegt: 'Daaraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het desbetreffende activum de bestemming van bedrijfsmiddel heeft, doch in een eerder jaar de bestemming van voorraad had, daar een wijziging van de bestemming van een tot het ondernemingsvermogen behorend activum, binnen het kader van de onderneming, niet leidt tot een verandering van de kostprijs van dat activum'
Conclusie: Een activum heeft één kostprijs ongeacht eventuele wisselende kwalificaties als voorraad of bedrijfsmiddel. Opwaardering van het activum kan bij stijging van de bedrijfswaarde, ook door een herkwalificatie van datzelfde activum, niet verhinderd worden.