Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/3.4.2
3.4.2 Nevenrechten
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949859:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Rijssen 2006, p. 263-272; Wibier 2020, p. 75-79; Asser/Sieburgh 6-II 2021/309 en 311.
Mellema-Kranenburg, in: GS Verbintenissenrecht, art. 6:159 BW, aant. 3.1 merkt op dat de contractsoverneming in beginsel onderworpen is aan de bepalingen voor overgang van vorderingen in het algemeen, zoals bijvoorbeeld art. 6:142 BW. Ook Asser/Sieburgh 6-II 2021/309 verwijst voor de betekenis van “nevenrechten” bij contractsoverneming naar art. 6:142 BW.
Huizingh 2016, p. 173.
Daaronder versta ik in deze alinea de partij die een hypothecaire geldlening aanbiedt, dus de geldverstrekker.
De leninggever wordt dan vaak ook als eerste begunstigde aangewezen van de door de verzekeraar te betalen verzekeringsuitkering. Als de verzekering bij overlijden van de verzekerde of op de einddatum tot uitkering komt, kan de leninggever aanspraak maken op de uitkering.
Zie met betrekking tot de kenmerken van een pandrecht bijvoorbeeld Hijma en Olthof 2020/256.
Huizingh 2016, p. 298-301 stelt aan de orde dat de pandgever in geval van vervanging van de schuldenaar van een verpande vordering door contractsoverneming gewoon “beschikkingsbevoegd” is om medewerking te verlenen aan de contractsoverneming, met dien verstande dat het mogelijk is dat de pandhouder bij benadeling door vervanging van de schuldenaar van de verpande vordering de actio pauliana (art. 3:45 BW) ter beschikking staat. Dat is voor het geval van portefeuilleoverdrachten van levensverzekeringen echter niet relevant omdat die alleen plaats kunnen vinden met behulp van de toezichtrechtelijke route. Bij toepassing van de toezichtrechtelijke route wordt geen medewerking gevraagd aan de polishouder/pandgever van de levensverzekeringsovereenkomst.
Art. 6:159 lid 3 BW bepaalt dat de leden 1-3 van art. 6:157 BW (inzake schuldoverneming) van overeenkomstige toepassing zijn bij contractsoverneming. Op grond van art 6:157 lid 1 BW worden de bij de vordering behorende nevenrechten na het tijdstip van de overgang tegen de nieuwe in plaats van tegen de oude schuldenaar uitgeoefend.1 Voor wat betreft de verzekeringsuitkering kunnen we de verzekeraar als de schuldenaar in de zin van deze bepaling opvatten. De overdragende verzekeraar is dan de “oude schuldenaar” en de verkrijgende verzekeraar is de “nieuwe schuldenaar” jegens de polishouder. Dat brengt ons op de vraag wat “nevenrechten” zijn in de zin van art. 6:157 lid 1 BW. Het antwoord op die vraag is te vinden in art. 6:142 BW.2 Art. 6:142 lid 1 BW noemt als “nevenrechten” rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen. Art. 6:142 lid 2 BW voegt daar dan nog “het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang” aan toe. In de juridische literatuur worden onder nevenrechten soms ook bedingen ter zake van arbitrage, bindend advies, rechtskeuze en bewijsafspraken verstaan. De kwalificatie als nevenrecht is voor dergelijke bedingen echter niet nodig, deze kunnen immers “gewoon” als onderdeel van de overeenkomst beschouwd worden.3 Voor wat betreft verzekeringsovereenkomsten worden soms in een aanvullende overeenkomst naast de polisvoorwaarden in verband met de omstandigheden van het geval tussen een individuele polishouder en verzekeraar over deze onderwerpen specifieke afspraken gemaakt. Voor zover we al niet zouden moeten aannemen dat deze afspraken onderdeel zijn geworden van de rechten en verplichtingen van de desbetreffende verzekeringsovereenkomst (en dus overgaan door de werking van art. 6:159 lid 1 BW) gaan dergelijke rechten van de polishouder dus in ieder geval over door de werking van art. 6:159 lid 3 juncto art. 6:157 lid 1 BW.
Voor het geval waarin de rechten en verplichtingen uit een verzekeringsportefeuille door een verzekeraar worden overgedragen aan een andere verzekeraar lijken al met al voor wat betreft de nevenrechten alleen de bevoegdheid van een polishouder om een executoriale titel ten uitvoer te leggen en afspraken in individuele gevallen ter zake van arbitrage, bindend advies, rechtskeuze en bewijsafspraken relevant. Rechten op grond daarvan kunnen door de polishouder dus door de werking van art. 6:159 lid 3 juncto art. 6:157 lid 1 BW tegen de nieuwe verzekeraar worden uitgeoefend. Het spiegelbeeld daarvan is dat de nieuwe verzekeraar zich ook van zijn kant jegens de polishouder op verplichtingen die voortvloeien uit deze specifieke afspraken kan beroepen.
Pandrechten, hypotheekrechten en borgstellingen door een verzekeraar verleend aan een polishouder ter nakoming van zijn verplichting om een verzekeringsuitkering te doen, komen in de praktijk (voor zover ik weet) niet voor, dus op pandrechten, hypotheekrechten en borgstellingen ga ik nu in het kader van nevenrechten die tegen de nieuwe verzekeraar kunnen worden uitgeoefend niet verder in. Overigens is het natuurlijk wel zo dat bij hypothecaire kredietverlening de leningnemer vaak een levensverzekering afsluit om het overlijdensrisico te verzekeren en om daarmee het kapitaal op te bouwen ter aflossing van de hypothecaire geldlening. De hypotheekverstrekker4 kan dan verlangen dat de leningnemer/polishouder de rechten uit de levensverzekering, waaronder het recht van afkoop, aan hem verpandt.5 Dit pandrecht op de levensverzekering blijft gewoon op de overeenkomst van levensverzekering rusten wanneer de levensverzekeraar de levensverzekering overdraagt aan een andere levensverzekeraar. Dit volgt mijns inziens niet uit de werking van art. 6:159 lid 3 juncto art. 6:157 lid 1 BW, maar komt doordat een beperkt recht zoals een pandrecht in het Nederlands recht zaaksgevolg heeft.6 Het door de polishouder op de uitkering uit levensverzekering verleende pandrecht blijft daarop rusten als voor de oude schuldenaar (levensverzekeraar) een nieuwe schuldenaar (levensverzekeraar) in de plaats treedt. Dit leidt ertoe dat hypotheekverstrekkers in het geval van een overdracht van een verzekeringsportefeuille hun pandrecht op de rechten uit de levensverzekering behouden zonder dat daar verder enige actie voor nodig is van de hypotheekverstrekker/pandhouder, de leningnemer/polishouder/pandgever, de overdragende verzekeraar of de overnemende verzekeraar. Indien de portefeuilleoverdracht betrekking heeft op levensverzekeringen kan alleen de toezichtrechtelijke route worden gevolgd, hetgeen betekent dat er van de pandgever ook geen medewerking wordt gevraagd.7
Rechten tot vernietiging, ontbinding en opzegging van de verzekeringsovereenkomst, alsmede op schadevergoeding in geval van een toerekenbare tekortkoming, zijn geen nevenrechten.8 Zie daarover hierna hoofdstuk 3.4.3 en 3.4.4 van dit proefschrift.