Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.2.2.2
13.2.2.2 Certificaten van volledig of meerderheidspakket aandelen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232968:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van den Dool en Van der Hoeven 2015, pagina 125 e.v. (met betrekking tot volledig pakket) en pagina 151 – 152 (met betrekking tot meerderheidspakket).
Hof ‘s-Hertogenbosch 27 juni 1975, PW 18 434.
Ten tijde van het overlijden van de erflaatster was de waarde in het economische verkeer nog niet als waarderingsmaatstaf opgenomen in de Successiewet.
Interessant is ook het argument van de inspecteur, die betoogde dat de andere certificaathouders tot de potentiële kopers gerekend dienden de worden, hetzij om hun 50%-belang te behouden, hetzij om een meerderheid te verwerven. Zie paragraaf 13.2.2.4 voor de vraag in hoeverre een dergelijke omstandigheid als waardeverhogend kan worden beschouwd.
HR 19 mei 1976, PW 18 480.
Vergelijk ook de in paragraaf 13.2.2.1 besproken uitspraak van hof Den Haag van 22 mei 1985, ECLI:NL:GHSGR:1985:AW8265, FED 1986/1047, waarin het hof wel uitgaat van waardering van ieder pakketje afzonderlijk. Weliswaar vererft het onderhavige geval een 60%-pakket, maar het is het verkregene dat op grond van artikel 21 lid 1 SW gewaardeerd dient te worden en dat betreft behoudens afwijkende verdeling van de nalatenschap vijf pakketjes van elk 12% (zie paragraaf 13.2.2.4 voor het eventuele effect op de waardering van een samenwerkende groep).
Belanghebbende hield slechts een minderheidspakket, maar het hof waardeert dit als een meerderheidspakket op grond van het in zijn ogen aanwezig zijn van een samenwerkende groep.
Zie rechtsoverweging 5.1 van de hofuitspraak. Overigens formuleert het hof hier niet zuiver: het waardedrukkende effect van certificering, zo aanwezig, is niet gelegen in de omstandigheid dat het onderliggende aandeel in waarde daalt, maar in een verschil in waarde tussen aandeel en certificaat.
Hoogendoorn ziet voorts het al dan niet bewilligd zijn van certificaten (thans het onderscheid tussen certificaten met en zonder vergaderrecht) als een waardebepalende factor.
Rechtbank Leeuwarden 22 oktober 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BL1424, NTFR 2010/1501.
Een klein minderheidspakket aandelen zal voor de houder hiervan doorgaans de betekenis van een belegging hebben, hetgeen niet anders wordt op het moment dat de aandelen gecertificeerd worden. Een waardedrukkend effect van betekenis van de certificering is dan niet aan de orde, zie paragraaf 13.2.2.1.
Zie voor dit laatste aspect nader paragraaf 13.2.2.3.
Een hele andere positie heeft een pakket aandelen dat de meerderheid van de stemrechten verschaft, met als ultieme variant het 100%-pakket. Vanwege de (overheersende) zeggenschap die aan een dergelijk aandelenpakket verbonden is, kan dit aandelenpakket niet zozeer beschouwd worden als een belegging, als wel als in een eigen onderneming belegd vermogen. Voor de waardering van de aandelen kan dan ook gekeken worden naar de waarde van het vermogen van de vennootschap, dat zich afhankelijk van de samenstelling gemakkelijker of minder gemakkelijk laat waarderen.1
Deze zeggenschap valt evenwel weg op het moment dat de aandelen gecertificeerd worden en door het ontbreken hiervan wordt de positie van het pakket certificaten gereduceerd tot die van een belegging. Dit impliceert dat bij een aandelenpakket dat de zeggenschap in de vennootschap verschaft certificering weldegelijk een waardedrukkende factor is, door het wegnemen van ten minste één van de factoren waaraan het onderliggende pakket aandelen zijn waarde ontleent.
Als voorbeelden van jurisprudentie met betrekking tot certificaten van meerderheidspakketten aandelen kunnen de volgende uitspraken genoemd worden:
Certificering werd niet aanvaard als waardedrukkende factor door hof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 27 juni 19752. De casus betrof een erflaatster, tot wier nalatenschap de onverdeelde helft van 70 niet-royeerbare certificaten van aandelen behoorden (de erflaatster was in gemeenschap van goederen gehuwd). Dit (totale) belang vormde 50% van het totaal aantal uitgegeven certificaten. De overige 50% van de certificaten waren in handen van een derde. Het bestuur van de STAK bestond uit één persoon benoemd door de echtgenoot van erflater, één persoon benoemd door de derde en een derde bestuurder benoemd door de eerste twee. De erfgenamen betoogden dat de geldswaarde3 van de certificaten gesteld moest worden op de waarde die deze voor een willekeurige derde zouden hebben, rekening houdend met de omstandigheid dat het pakket onvoldoende groot was om deze derde zeggenschap in de STAK of de BV, wier aandelen gecertificeerd waren, te verschaffen.4
Het hof overweegt echter dat de certificering in het leven is geroepen voor de bescherming van de belangen van de certificaathouders, alsmede van die van alle overige bij de BV betrokken personen, en met oog op een doeltreffend bestuur van de BV. De belangen van de certificaathouders zijn aldus volledig gewaarborgd en doeltreffend bestuur van de BV zal ook steeds mogelijk zijn, omdat de STAK één onafhankelijke bestuurder heeft, zodat besluitvorming mogelijk blijft, ook bij onenigheid tussen de twee certificaathouders(families). Onder deze omstandigheden kan de certificering naar de mening van het hof niet worden aangemerkt als waardeverlagende factor.
Ook het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 19765 betreft een geval waarin geen waardedrukkend effect van certificering werd aanvaard. Het betrof een waardering voor het successierecht, naar de op dat moment geldende maatstaf geldswaarde, van een pakket certificaten van aandelen in een BV. De certificaten vertegenwoordigden in totaal 60% van de aandelen en deze werden verkregen door de vijf kinderen van de erflater voor gelijke delen. De kinderen hadden overigens ieder reeds een belang van 8% per persoon, oftewel alle certificaten waren binnen de familie. Het doel van de certificering was (mede) het waarborgen van een doeltreffend bestuur na het overlijden van de erflaatster. Dit bestuur bestond tijdens haar leven uit uitsluitend de erflaatster en daarna uit drie persoon: één benoemd door en uit de directie van de vennootschap, één benoemd door en uit de vergadering van certificaathouders en de derde (die onder andere geen certificaathouder mocht zijn) benoemd door de eerste twee bestuurders gezamenlijk.
Het hof overweegt aangaande de waarde van de certificaten onder meer dat een belang van 60% van de certificaten de houder hiervan tot de overheersende kapitaalverschaffer maakt, hetgeen hem materieel een plaats in het STAK-bestuur garandeert, en dat niet wel denkbaar is dat het STAK-bestuur zijn positie als belangrijkste kapitaalverschaffer niet zou willen erkennen en niet zou willen ingaan op zijn redelijke verlangens. Voorts overweegt het hof dat van de certificering van aandelen behoudens in uitzonderingsgevallen in de praktijk geen waardeverminderende invloed uitgaat, omdat deze niet wordt ondernomen om de positie van de kapitaalverschaffer(s) te verzwakken. De Hoge Raad heeft niet inhoudelijk geoordeeld over deze punten, maar het oordeel van het hof in stand gelaten, omdat dit feitelijk en niet onbegrijpelijk zou zijn.
De aan de uitspraak van het hof ten grondslag liggende feitelijke veronderstellingen lijken mij, in elk geval thans, voor discussie vatbaar. Daarnaast valt op dat het 60%-pakket als geheel wordt gewaardeerd, terwijl sprake is van vijf verkrijgers, dus een uiteenvallen van het pakket in vijf delen die geen overwegende invloed met zich brengen.6
In de hofuitspraak die ten grondslag ligt aan HR 18 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:BH8298, BNB 1992/108, met betrekking tot de vermogensbelasting oordeelde hof Amsterdam over de waardering van certificaten van een als een meerderheidspakket7 aandelen. Het hof overweegt dat certificaten, ook wat betreft de waarde, in de regel met de onderliggende aandelen kunnen worden vereenzelvigd. Hierop geldt slechts een uitzondering indien het totaal van de in het aandeel belichaamde rechten zodanig beperkt is door de certificering, dat de waarde van het certificaat in betekenende mate lager is dan die van het onderliggende aandeel.8 De Hoge Raad heeft zich over dit aspect niet hoeven uit te spreken. Hoogendoom uit in zijn noot onder het arrest in BNB, mijns inziens terecht, kritiek op deze vereenzelviging certificering bij meerderheidspakketten aandelen.9
In een recentere uitspraak oordeelde rechtbank Leeuwarden10 over een casus waarin een pakket certificaten van aandelen vererfde. De vennootschap wier aandelen gecertificeerd waren, dreef via een dochtermaatschappij een onderneming. De certificaten van de erflater vertegenwoordigden 66,67% van de aandelen, terwijl de certificaten van de overige aandelen in handen waren van zijn broer. Oorspronkelijk waren de erflater en de broer samen bestuurder van de STAK geweest. Kort na het overlijden van de erflater vond evenwel een statutenwijziging van de STAK plaats; hierna was de broer enig bestuurder, met zijn echtgenote als opvolgende bestuurder. De relatie tussen de belanghebbende, zoon van de erflater, en zijn oom was slecht. Het geschil betrof de waardering van de aandelen voor het successierecht, waarbij belanghebbende betoogde dat hierbij rekening gehouden moest worden met de omstandigheid dat (i) hij als certificaathouder geen zeggenschap had, (ii) zijn oom als STAK-bestuurder geen informatie verschafte aan de certificaathouders en (iii) geen dividend werd uitgekeerd.
De rechtbank is van oordeel dat de waarde in het economische verkeer van de certificaten in hoge mate afhankelijk is van de voorwaarden waaronder certificering heeft plaatsgevonden. In casu is aan de certificaten geen lidmaatschap van het bestuur van de STAK verbonden, noch gaven de certificaten op grond van de ten tijde van het overlijden geldende statuten enige zeggenschap in de STAK of de BV. Een potentiële gegadigde voor de certificaten zal deze daarom vooral zien als een belegging.
Concluderend zou mijns inziens aan certificaten van een meerderheids- of een volledig pakket aandelen, enigszins afhankelijk van de voorwaarden, een (significant) lagere waarde toegekend moeten worden dan aan de aandelen zelf. Met andere woorden: in dit geval heeft certificering inderdaad een waardedrukkend effect.
Gezien de jurisprudentie dienaangaande lijkt het echter met regelmaat een uitdaging te zijn om de rechter ervan te overtuigen dat zich inderdaad een dergelijk waardedrukkend effect voordoet, waarbij de door de oordelende instantie gebezigde argumentatie mij niet altijd overtuigt, in elk geval niet vanuit het perspectief van de waarde in het economische verkeer als de thans geldende waarderingsmaatstaf. Zo ervaar ik de waarde die gehecht is aan de bescherming die certificering biedt aan de certificaathouder en de daaraan verbonden conclusie dat hier dan geen waardedrukkend effect van uitgaat te groot dan wel niet ter zake doende. Het lijkt mij de vraag in hoeverre certificering, in elk geval op dit moment, (in overwegende mate) geschiedt met oog op de bescherming van de certificaathouders. Daarnaast lijkt mij ook de vraag in hoeverre, zelfs als van een dergelijk beschermingsoogmerk sprake is, dit betekent dat een eventuele gegadigde voor de certificaten bereid is om hier even veel voor te betalen als voor de onderliggende aandelen. Dit kan hoogstens het geval zijn, indien deze gegadigde ook profijt zou hebben van de bescherming die de certificaten bieden. Dit laatste kan zich wellicht voordoen indien het certificaten van een groot minderheidspakket11 betreft, waarbij alle aandelen gecertificeerd zijn en de certificering aldus de minderheid beschermt tegen overheersende zeggenschap van de meerderheid. Ook lijkt het mij niet terecht om bij de waardering rekening te houden met een veronderstelde feitelijke invloed van de certificaathouder. Bij de objectieve uitgangspunten van de waarde in het economische verkeer kan dit pas aan de orde zijn indien zeggenschap (i) juridisch afdwingbaar is en (ii) ook verkregen wordt door een gegadigde als verkrijger van de certificaten12.